Met ingang van 1 juni 2004 is de Adviesraad Gevaarlijke Stoffen (AGS) benoemd door het Kabinet. Tevens is de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen (CPR) opgeheven.De CPR bracht publicaties uit, de CPR-richtlijnen, die veelvuldig worden gebruikt bij vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer en binnen de werkterreinen van de arbeidsveiligheid, transportveiligheid en de brandveiligheid.De CPR-richtlijnen zijn omgezet naar de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Het doel van deze publicaties is in hoofdlijnen dezelfde als van de CPR-richtlijnen. Alle CPR-richtlijnen zijn beoordeeld vanuit de volgende vragen:
De voorliggende publicatie (PGS 15) is een herziening van de richtlijnen:
- CPR 15-1, tweede druk 1990, Opslag van gevaarlijke stoffen in emballage, opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 tot 10 ton);
- CPR 15-2, eerste druk 1991, Opslag van gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van grote hoeveelheden (vanaf een hoeveelheid van 10 ton);
- CPR 15-3, eerste druk 1990, Opslag van bestrijdingsmiddelen in emballage, opslag van bestrijdingsmiddelen in distributiebedrijven en aanverwante bedrijven (vanaf 400 kg);
- Leidraad voor de vergunningverlening voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen bijstuwadoorsbedrijven, december 1993.
Tevens vervangt PGS 15 hoofdstuk 8.3 “opslag van gevulde spuitbussen” uit de richtlijn CPR 11-6 “Propaan, vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimethyl-ether als drijfgas”.
De nieuwe publicatie is opgesteld door de overleggroep “actualisatie en integratie CPR 15-richtlijnen”, met daarin vertegenwoordigers van overheid en bedrijfsleven. De publicatie geeft dus richtlijnen voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Belangrijke wijziging in deze nieuwe publicatie is dat de indeling van gevaarlijke stoffen is gebaseerd op de vervoerswetgeving (ADR).
Deze publicatie is tot stand gekomen binnen de kaders van de per 1 juli 2004 opgeheven CPR.Het Interprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het bedrijfsleven (VNO/NCW en MKB-Nederland) hebben positief geadviseerd over het uitbrengen van deze publicatie.
Mede namens mijn collega’s van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties.
De staatssecretaris van VROM,
Drs. P.L.B.A. van Geel
Naam - Organisatie
E. Alders -FME/CWMTabel 1: ADR-klassen van gevaarlijke stoffen
| ADR-klasse | Omschrijving | Voorbeelden |
|---|---|---|
| 1 | ontplofbare stoffen en voorwerpen | zwart buskruit, springstoffen, ontstekers, vuurwerk |
| 2 | Gassen | propaan, zuurstof, stikstof, argon, kooldioxide, acetyleen, aerosolen (spuitbussen) |
| 3 | brandbare vloeistoffen | bepaalde oplosmiddelen, inkten, harsoplossingen, aardolieproducten |
| 4.1 | brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet explosieve toestand | wrijvingslucifers, zwavel, metaalpoeders |
| 4.2 | voor zelfontbranding vatbare stoffen | fosfor (wit of geel), diethylzink |
| 4.3 | stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen | magnesiumpoeder, natrium, calciumcarbide |
| 5.1 | oxiderende stoffen | kaliumpermanganaat, natriumchloraat |
| 5.2 | organische peroxiden | dicumyl peroxide, di-propionyl peroxide |
| 6.1 | Giftige stoffen | chloroform, arseen, kaliumcyanide, pesticiden |
| 6.2 | Infectueuze stoffen (besmettelijke stoffen) | bacteriën, virussen, parasieten, schimmels, ziekenhuisafval |
| 7 | Radioactieve stoffen | uranium-238, kobalt-60 |
| 8 | bijtende stoffen | natriumhydroxide, zwavelzuur, zoutzuur |
| 9 | diverse gevaarlijke stoffen en voorwerpen | polychloorfenolen, lithiumbatterijen, aquatoxische stoffen, genetisch gemodificeerde organismen |
De werkingssfeer van PGS 15 heeft betrekking op een groot aantal ADR-klassen. Voor een aantal ADRklassen is de opslag echter in separate wet- en regelgeving ondergebracht en is de onderliggende richtlijn niet van toepassing. Bovendien is de richtlijn niet van toepassing op ontplofbare stoffen of voorwerpen (klasse 1) of met een bijkomend gevaar ontplofbare stof. In de onderstaande tabel is de werkingssfeer van de richtlijn verduidelijkt.
Tabel 2: Werkingssfeer PGS 15
| Wel onder werkingssfeer PGS 15 | Niet onder werkingssfeer PGS 15 |
ADR-klassen: 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1 en 8 |
ADR-klassen: 1, 7 - overige stoffen van de klasse 6.2 - overige stoffen van de klasse 9, genetisch gemodificeerde organismen - gasflessen met giftig of bijtende inhoud (behoudens ammoniak en ethyleenoxide) - ADR-klasse 5.2 overig (hiervoor geldt CPR 3) - nitraathoudende kunstmeststoffen (hiervoor geldt CPR 1) - overige gevaarlijke afvalstoffen - bestrijdingsmiddelen tot 400 kg (valt onder Bestrijdingsmiddelenbesluit) |
Ten behoeve van de werkingssfeer van PGS 15 zijn ondergrenzen vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met zowel de gevaarsaspecten die bepaalde stoffen kunnen bezitten als wel de hoeveelheid gevaarlijke stoffen die voor een goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mag worden beschouwd. In tabel 3 zijn de te hanteren ondergrenzen genoemd.
Tabel 3: Te hanteren ondergrenzen en vrijstellingen
| Gevaar conform de klasse zonder bijkomend gevaar** | Verpakkinggroep | Ondergrens / vrijstelling in kg of l* |
|---|---|---|
| Alle klassen en de CMR stoffen | I | 1 |
| 2 (UN 1950 Spuitbussen & UN 2037 Houders, klein, gas) | n.v.t. | 50 |
| 3 | II | 25 |
| 3***** | III | 50 |
| 4.1, 4.2, 4.3 | II en III | 50 |
| 5.1 | II en III | 50 |
| 5.2 | II en III | --*** |
| 6.1 | II en III | 50 |
| 6.2 categorie I3, I4 | II en III | 50 |
| 8 | II en III | 250 |
| 9 | II en III | 250 |
| Totaal | - | 50 voor klasse 8 en 9: 250**** |
| 2 (Gasflessen) | n.v.t | 115 liter waterinhoud |
| * | voor de interpretatie van kg of l, zie paragraaf 1.9. Bij overschrijding is PGS 15 van toepassing. Voor verpakking die onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden (LQ) vallen (zie hoofdstuk3.4 van het ADR) geldt een aanvullende vrijstelling tot in totaal de dubbele hoeveelheid van de in tabel 3 genoemde hoeveelheid. Deze aanvullende vrijstelling geldt alleen indien de stoffen in de transportverpakking zijn opgeslagen. |
| ** | voor stoffen met een bijkomend gevaar is de laagste ondergrens/vrijstelling bepalend |
| *** | CPR 3 kent geen ondergrens |
| **** | indien er sprake is van verschillende stoffen waarvoor verschillende ondergrenzen gelden, moet de ondergrens voor de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen naar rato worden berekend. |
| ***** | voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen van de klasse 3 geldt dat alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking en dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61 ºC en 100 ºC in deze richtlijn niet worden beschouwd als stoffen van de klasse 3. Evenzo worden stoffen met UN-nummer 3256 (verwarmde brandbare vloeistof) in deze richtlijn niet beschouwd als een brandbare vloeistof van de klasse 3. Tenslotte bepaalt het ADR dat niet giftige en niet bijtende viskeuze oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23°C en hoger, niet zijn onderworpen aan de voorschriften van het ADR (ADR 2.2.3.1.5) (zie hoofdstuk 10 Begrippenlijst: viscositeitsregel ADR). |
Opgemerkt wordt dat hoeveelheden van gevaarlijke stoffen die de voornoemde ondergrenzen niet overschrijden wel verantwoord moeten worden opgeslagen. Dat wil zeggen dat opslag niet op de werkvloer mag plaatsvinden tenzij het gaat om een hoeveelheid die als werkvoorraad kan worden aangeduid.
3.1.1 Verpakte gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen moeten, met uitzondering van de noodzakelijke werkvoorraad, worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. In de opslagvoorziening mogen daarnaast uitsluitend aanverwante stoffen worden opgeslagen. Van de gevaarlijke stoffen van de klasse 9 moeten uitsluitend de milieugevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening worden opgeslagen. Van de gevaarlijke stoffen van de klasse 5.2 mag ten hoogste 1.000 kg worden opgeslagen. Gasflessen moeten, gescheiden van overige gevaarlijke stoffen, worden opgeslagen in een aparte opslagvoorziening. De volgende klassen gevaarlijke stoffen mogen niet in de bovengenoemde opslagvoorziening aanwezig zijn:
-
klasse 1 (ontplofbare stoffen en voorwerpen);
- klasse 6.2 (infectueuze stoffen) met uitzondering van categorie I3 en I4;
- klasse 7 (radioactieve stoffen).
Toelichting:
Onder aanverwante stoffen worden grondstoffen of chemicaliën verstaan, die niet onder het ADR vallen. Deze aanverwante stoffen sluiten bijvoorbeeld qua verpakking en toepassingsgebied wel aan bij gevaarlijke stoffen. Indien de wens bestaat andere goederen gezamenlijk met gevaarlijke stoffen op te slaan, moet worden nagegaan of met behoud van het veiligheidsniveau hiervoor maatwerkoplossingen in de vergunning mogelijk zijn. In een opslagvoorziening mogen in ieder geval geen stoffen of producten aanwezig zijn die op enigerlei wijze het risico van de opslag verhogen.
De milieugevaarlijke stoffen van de klasse 9 betreffen onder meer de stoffen met UN-nummer 3077 en 3082. Voor de opslag van stoffen behorende tot de klasse 2 wordt verwezen naar hoofdstuk 6 (gasflessen) en hoofdstuk 7 (spuitbussen en gaspatronen) van deze richtlijn. Voor de opslag van stoffen behorende tot de klasse 5.2 tot een hoeveelheid van 1.000 kg wordt verwezen naar hoofdstuk 9 van deze richtlijn. Voor het verbod om stoffen van de klasse 6.2 op te slaan wordt een uitzondering gemaakt voor ziekenhuisafval en diagnostische monsters. In dat geval moet worden nagegaan of in de vergunning aandacht moet worden besteed aan de wijze van opslag, bijvoorbeeld met betrekking tot gescheiden opslag, veiligheidssignalering en hulpmiddelen. Een opslagvoorziening kan zowel inpandig als uitpandig zijn gesitueerd, en zowel bouwkundig als prefab zijn uitgevoerd.
3.1.2 Voorschrift 3.1.1 is niet van toepassing indien de in tabel 3 van paragraaf 1.5 genoemde hoeveelheden niet worden overschreden.
Toelichting:
afhankelijk van het karakter en de grootte van het bedrijf moet worden bepaald of genoemde ondergrenzen per inrichting, per gebouw, per afdeling of anderszins gelden. Het is denkbaar dat in bepaalde situaties beperkte hoeveelheden (beneden de ondergrens) gevaarlijke stoffen verspreid over het bedrijf worden opgeslagen. Dit moet in samenhang met het begrip werkvoorraad (voorschrift 3.1.3) worden beoordeeld. Met voorschrift 3.1.3 wordt beoogd dat niet te grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen in werkruimtes worden neergezet en zo een verkapte opslag ontstaat.
Indien een bedrijf naast de noodzakelijke werkvoorraden op meerdere locaties in het bedrijf hoeveelheden gevaarlijke stoffen beneden de ondergrenzen opslaat, zal de functionaliteit hiervan moeten kunnen worden aangetoond.
3.1.3 Onder een werkvoorraad gevaarlijke stoffen als genoemd in voorschrift 3.1.1 wordt verstaan de voorraad gevaarlijke stoffen welke ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een productieruimte/werkruimte of nabij een procesinstallatie of afvulinstallatie is opgesteld. De werkvoorraad moet strikt noodzakelijk zijn. De grootte ervan moet in principe zijn afgestemd op het verbruik van één dag of één batch. Gevaarlijke stoffen die in afwachting zijn van opslag of afvoer vallen niet binnen de definitie van werkvoorraad.
Toelichting:
In voorkomende situaties moet rekening worden gehouden met de volgende bepalingen:
- de opslag van de werkvoorraad mag zich niet bevinden in een rijroute van vorkheftrucks of andere transportmiddelen;
- indien één eenheid verpakking meer dan één week als werkvoorraad wordt gebruikt zijn in het algemeen het gebruik en de opgeslagen hoeveelheid werkvoorraad niet meer in proportie;
- de gevaarlijke stoffen die als werkvoorraad in een productie- of werkruimte of nabij een procesinstallatie aanwezig zijn, moeten worden bewaard in deugdelijke en gesloten verpakking, die bestand is tegen de betreffende gevaarlijke stof;
-indien op de risico’s van de werkvoorraad geënte maatregelen en voorzieningen zijn getroffen (conform de bepalingen uit deze richtlijn, voor zover deze uitvoerbaar zijn buiten een opslagvoorziening) is een permanente werkvoorraad in een productie/werkruimte of nabij een procesinstallatie toegestaan. De hoeveelheid bedraagt in dat geval maximaal één verpakking per te gebruiken stof plus indien noodzakelijk één reserveverpakking of de hoeveelheid benodigd voor één batch (productierun);
-indien de werkvoorraad bestaat uit in een hoeveelheid van meer dan 50 liter dan moet de verpakking zijn geplaatst boven een vloeistofdichte lekbak of een gelijkwaardige voorziening. Hiervan kan worden afgeweken als (het betreffende deel van) de vloer van de betreffende productie/werkruimte ten minste vloeistofkerend is. Dit geldt niet voor brandbare vloeistoffen (waarvan de verpakkingen voorzien zijn van etiket model nr. 3); daarvoor blijft vanuit brandveiligheidsoptiek een lekbak of een andere gelijkwaardige voorziening wenselijk. Doelstelling is in een dergelijk geval het verkleinen van het verdampingsoppervlak in geval van een lekkage. Afhankelijk van de risico's van de stof kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn (bijvoorbeeld m.b.t. ventilatie);
- een laskar met gasflessen kan ook als werkvoorraad worden beschouwd.
3.1.4 In een opslagvoorziening mogen, met uitzondering ten behoeve van monstername en ter bestrijding van een lekkage of calamiteit, geen aftap- of overtapwerkzaamheden plaatsvinden. Ompakwerkzaamheden mogen slechts plaatsvinden indien de primaire verpakking niet wordt geopend.
Toelichting:
indien in een ruimte zowel opslag van verpakte gevaarlijke stoffen als aftap- of overtapwerkzaamheden van gevaarlijke stoffen plaatsvinden, is er geen sprake meer van een opslagvoorziening. In dergelijke gevallen zal het bevoegd gezag moeten nagaan of en onder welke omstandigheden combinatie van opslag en aftappen mogelijk is. In PGS 15 is hiermee geen rekening gehouden. In dergelijke situaties kunnen voorschriften voor een deel worden ontleend aan PGS 15, aanvullend moeten extra voorschriften in verband met mogelijke blootstelling, verhoogd brandgevaar en ongevallenrisico’s worden overwogen.
3.1.5 Lege, ongereinigde verpakking moet worden opgeslagen overeenkomstig de voorschriften van dit hoofdstuk.
3.1.6 Indien gevaarlijke stoffen in emballage korter dan 48 uur binnen de inrichting verblijven, mogen deze in afwijking van voorschrift 3.1.1 en in afwijking van voorschrift 3.1.3 worden overgeslagen in een speciaal daarvoor ingericht overslag- of laad- en losgedeelte. Het overslag- of laad en losgedeelte moet op een duidelijke wijze zijn gemarkeerd, en ten minste 2 m verwijderd van andere goederenopslag. Nabij het overslag- of laad- en losgedeelte moet voldoende absorptiemiddel aanwezig zijn. In het overslag- of laad- en losgedeelte mag ten hoogste 10 000 kg gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Gevaarlijke stoffen van verpakkingsgroep I en gevaarlijke stoffen van de klasse 1, 6.2 (behoudens categorie I3 en I4) en 7, alsmede een hoeveelheid van meer dan 2.000 kg brandbare vloeistoffen (waarvan de verpakkingen voorzien zijn van etiket model nr. 3) mogen niet in dit overslag- of laad- en losgedeelte aanwezig zijn.
Toelichting:
voorschrift 3.1.6 is ontleend aan het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer en met name bedoeld voor situaties waar goederen meteen worden doorgevoerd naar andere bedrijven. Daarnaast wordt in opslag-, transport- en distributiebedrijven vaak een speciaal daarvoor ingerichte locatie gebruikt waar goederen worden gereedgemaakt voor afvoer of waar goederen worden geplaatst voordat opslag in de opslagvoorziening plaatsvindt. Het vaststellen van het noodzakelijke voorzieningenniveau voor deze locaties is maatwerk voor de vergunning. Indien op de locatie niet meer gevaarlijke stoffen aanwezig zijn dan die overeenkomen met de hoeveelheid die met één transportmiddel kan worden vervoerd (maximaal circa 25 ton), kan worden aangesloten bij de in voorschrift 3.1.6 genoemde voorzieningen. Bij grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen kan aansluiting worden gezocht bij het beschermingsniveau dat in de opslagvoorziening is gerealiseerd. Indien de locatie in de buitenlucht is gesitueerd, moet aandacht worden besteed aan het risico van de verplaatsing van een incident naar de opslagvoorziening (bijvoorbeeld t.g.v. uitstromende vloeistof) en aan het realiseren van beperkte oppervlaktes van gevaarlijke stoffen. Gevaarlijke stoffen mogen na afloop van de werkdag niet meer op deze locatie aanwezig zijn.
Relatie met bouwregelgeving
De bouwkundige eisen aan een opslagvoorziening voor gevaarlijke stoffen zijn aanvullend op hetgeen in het Bouwbesluit 2003 voor de opslag van gevaarlijke stoffen reeds is geregeld. Er is wat betreft filosofie, veiligheidsniveau en begrippen aansluiting gezocht bij het Bouwbesluit 2003. Onder bouwkundige eisen worden in dit verband constructieve en materiaaltechnische eisen verstaan. Dit is vergelijkbaar met wat in het Vuurwerkbesluit is gedaan. De doelstelling van het Bouwbesluit 2003 met betrekking tot het beperken van uitbreiding van brand (brandcompartimentering) is vergelijkbaar met de doelstelling van de in het kader van de Wet milieubeheer te stellen voorschriften aan de opslag van gevaarlijke stoffen: een brand in een ruimte waarin gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen moet zoveel mogelijk beperkt blijven tot die ruimte, en een brand buiten zo’n ruimte zou buiten die ruimte moeten worden gehouden. De in het Bouwbesluit 2003 opgenomen prestatievoorschriften voor ruimten waarin stoffen zijn opgeslagen als bedoeld in de Regeling bouwbesluit 2003 zijn echter ontoereikend voor ruimten waarin stoffen zijn opgeslagen die behoren tot de klassen 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2 of 6.1 van het ADR of gevaarlijke stoffen welke als bijkomend gevaar het overeenkomstige gevaarsetiket van die klasse dragen. Dat een brandcompartiment dat is uitgevoerd overeenkomstig het Bouwbesluit 2003 niet toereikend is voor een gevaarlijke stof als bijvoorbeeld vuurwerk blijkt uit de aanvullende bouwkundige eisen die het Vuurwerkbesluit stelt aan ruimten waarin vuurwerk wordt opgeslagen. Voor ruimten waarin stoffen van de genoemde klassen van het ADR zijn opgeslagen om het beoogde doel te bereiken zijn eveneens aanvullende bouwkundige voorzieningen noodzakelijk. Genoemde aanvullingen op de voorschriften in het Bouwbesluit 2003 kunnen niet door middel van een bouwvergunning worden voorgeschreven, maar moeten als voorschrift aan een milieuvergunning (of ander besluit, zoals een amvb) worden verbonden.
Bestaande situaties
De in hoofdstuk 3.2 genoemde bouwkundige eisen zijn van toepassing op nieuwe opslagvoorzieningen voor gevaarlijke stoffen. Voor bestaande situaties gelden de eisen uit de vigerende bouw- en milieuvergunningen.
Filosofie bouwkundige brandveiligheidsvoorzieningen in PGS 15
In beginsel wordt een opslagvoorziening uitgevoerd als een brandcompartiment waarbij het noodzakelijk is dat de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) tussen een ruimte waarin gevaarlijke stoffen worden opgeslagen en een andere ruimte (en andersom) ten minste 60 minuten bedraagt. Uitgangspunt hierbij is dat de brandweer vervolgens binnen deze 60 minuten de brand zodanig kan beheersen dat deze beperkt blijft tot het compartiment waar deze is ontstaan.
Uitvoering weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een opslagvoorziening
De WBDBO moet volgens het Bouwbesluit 2003 worden bepaald overeenkomstig NEN 6068. Een brandcompartiment moet worden gezien als een kubus die “rondom” (wanden, gevels en afdekking) dezelfde WBDBO heeft. Het begrip weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) bevat twee aspecten: de weerstand tegen branddoorslag en de weerstand tegen brandoverslag. De weerstand tegen branddoorslag wordt praktisch gezien bereikt door brandwerende (scheidings)constructies. Voor de experimentele bepalingsmethode van de brandwerendheid van bouwdelen is NEN 6069 van toepassing. Indien brandwerende scheidingsconstructies worden toegepast dient de draagconstructie waaraan de scheidingsconstructie bevestigd is dezelfde brandwerendheid te hebben, of dient een voorziening te worden getroffen dat het bezwijken van een draagconstructie niet leidt tot het bezwijken van een scheidingsconstructie. De weerstand tegen brandoverslag wordt praktisch gezien bereikt door afstand tussen ruimten.
Er is echter op een aantal punten binnen de reikwijdte van deze richtlijn aanvulling nodig met betrekking tot de uitvoering van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag, hetgeen neerkomt op:
- De brandwerendheid als bedoeld in NEN 6069 wordt bepaald aan de hand van de standaard- of gereduceerde brandkromme. Een brand waarbij brandbare vloeistoffen betrokken zijn, zal zich anders gedragen dan deze gemodelleerde brand. Dit zou kunnen betekenen dat bij zo’n brand niet altijd de gewenste tijdsduur van brandwerendheid van een scheidingsconstructie wordt behaald. Wanden en afdekkingen van metselwerk, onbrandbaar isolatiemateriaal, beton of cellenbeton worden wel geacht hieraan te voldoen. Dit noodzaakt een aanvullend voorschrift met betrekking tot de uitvoering van brandwerende constructies;
- Binnen de reikwijdte van de NEN 6069 zou het mogelijk zijn om glazen puiconstructies toe te passen in wanden en afdekking van een opslagvoorziening. Glazen puiconstructies worden echter volgens NEN 6069 niet op dezelfde criteria getest als wandconstructies (Uitleg TNO). Een belangrijk criterium waaraan glasconstructies niet hoeven te voldoen is het criterium ‘thermische isolatie betrokken op temperatuur’. Bij het toepassen van brandwerende beglaasde puiconstructies zou dus niet de brandwerendheid worden verkregen die met het voorschrift is beoogd. Hoewel van toepassing zou ook het criterium ‘thermische isolatie betrokken op warmtestraling’ onvoldoende waarborgen bieden, daar als grenswaarde voor de maximale stralingsintensiteit 15 kW/m2 wordt aangehouden terwijl de grenswaarde van 10 kW/m2 bij opslag van gevaarlijke stoffen wordt gehanteerd. Met betrekking tot de WBDBO cq. de brandwerendheid moet daarom voor alle constructies aan alle criteria van de NEN 6069, uitgave 1996 en NEN 6069/1A uitgave 2001 worden voldaan;
- Om te voorkomen dat bij elke opslagvoorziening een volledige berekening moet worden gemaakt van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (NEN 6068), is een praktische benadering te hanteren met betrekking tot de mate waarin de afstand tussen ruimten kan bijdragen aan de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag:
Hoewel er in sommige situaties door toepassing van deze praktische benadering niet letterlijk aan de norm NEN 6068 wordt voldaan, wordt toch geacht in alle redelijkheid een voldoende weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag te zijn verkregen. Voor opslag van gasflessen geldt een afwijkende parktische benadering die is weergegeven in voorschrift 6.2.5 van hoofdstuk 6.
Eigenschappen toegepaste materialen in de gebouwconstructie
Het Bouwbesluit 2003 biedt met de verwijzing naar de NEN 6068 en de NEN 6069 de mogelijkheid dat brandwerende constructies worden opgebouwd uit brandbare materialen, zoals hout. Omdat dit voor de opslag van bepaalde klassen gevaarlijke stoffen niet intrinsiek veilig is, is in PGS 15 bepaald dat voor de ruimten waarin die gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen de wanden, vloer en afdekking van onbrandbaar materiaal moeten zijn vervaardigd. Het Bouwbesluit 2003 biedt voor sommige situaties de mogelijkheid dat een dak van een bouwwerk niet niet-brandgevaarlijk hoeft te worden uitgevoerd. Het is niet wenselijk dat dit voor opslagvoorzieningen van gevaarlijke stoffen ook zou mogen. Daarom wordt hier bij de opslag van gevaarlijke stoffen expliciet voorgeschreven dat het dak moet zijn geconstrueerd van niet brandgevaarlijk materiaal.
Onderscheid inpandig/uitpandig
In PGS 15 wordt onderscheid gemaakt tussen inpandige en uitpandige opslagvoorzieningen. Onder inpandige opslagvoorzieningen worden alle voorzieningen verstaan die in een (ander) bouwwerk zijn gesitueerd. Tot nu toe werden hiervoor termen als (bouwkundige) kast en kluis gebruikt. Echter ook kant en klare opslagsystemen kunnen inpandig gebruikt worden. Een uitpandige opslagvoorziening is bijvoorbeeld een vatenpark, een in de buitenlucht geplaatst kant en klaar opslagsysteem, een vrijstaand opslaggebouw of een met een ander bouwwerk geschakeld opslaggebouw. Met onderstaande tekening wordt e.e.a. verduidelijkt.

I = inpandig
II = uitpandig
Grote brandcompartimenten
3.2.1 Voorschriften inpandige opslagvoorziening Wm
3.2.1.1 De WBDBO van een inpandige opslagvoorziening naar een andere ruimte en van een andere ruimte naar een opslagvoorziening moet ten minste 60 minuten bedragen. De wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagvoorziening moeten een brandwerendheid van ten minste 60 minuten bezitten. Dit voorschrift is niet van toepassing indien uitsluitend gevaarlijke stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar, tot een gezamenlijke hoeveelheid van ten hoogste 10 ton, worden opgeslagen.
Toelichting:
Een opslagvoorziening waarin gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen, m.u.v. de klasse 8 worden opgeslagen, wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het bedoelde brandcompartiment heeft “rondom” dezelfde “WBDBO”. Met betrekking tot de WBDBO c.q. de brandwerendheid moet voor alle constructies aan alle criteria van de NEN 6069, uitgave 1996 en NEN 6069/1A uitgave 2001 worden voldaan. Indien in een bestaande situatie een WBDBO of een brandwerendheid van 30 minuten is vergund, kan van de eis van 60 minuten worden afgeweken, mits binnen een afstand van 7,5 m van de opslagvoorziening geen brandgevaarlijke goederen aanwezig zijn.
3.2.1.2 In de inpandige opslagvoorziening mag ten hoogste 2.500 kg gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen aanwezig zijn. Dit voorschrift is niet van toepassing indien uitsluitend gevaarlijke stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar tot een gezamenlijke hoeveelheid van ten hoogste 10 ton, worden opgeslagen.
Toelichting:
zie toelichting 3.2.1.3
3.2.1.3 In afwijking van voorschrift 3.2.1.2 mag in een inpandige opslagvoorziening ten hoogste 10.000 kg gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen aanwezig zijn indien in de opslagvoorziening een brandmeldinstallatie aanwezig is met doormelding naar de alarmcentrale van de overheids- of bedrijfsbrandweer, of een daaraan gelijkwaardige voorziening. De brandmeldinstallatie moet voldoen aan NEN 2535, uitgave 1996 en NEN 2535/A1 uitgave 2002. Wm, AI
Toelichting:
zie ook bijlage 6 voor ontwerpnormen van brandmeldinstallaties. Voor de duidelijkheid moet hier worden opgemerkt dat de beperkingen tot respectievelijk 2.500 kg (in voorschrift 3.2.1.2) en 10.000 kg gelden voor inpandig gesitueerde opslagvoorzieningen die niet zijn uitgevoerd met voorzieningen als bedoeld in hoofdstuk 4 (opslagvoorzieningen groter dan 10.000 kg). Een permanent bezette meldpost van een daartoe gecertificeerde bewakingsdienst kan als gelijkwaardig worden beschouwd, waarbij met name aspecten als alarmeringstijd een rol spelen. Tevens is het van belang dat ook de plaatselijke bouwverordening bepalingen kan bevatten omtrent de wijze van doormelding. De norm NEN 2654 geeft de eisen voor het beheer, de controle en het onderhoud van dergelijke brandmeldinstallaties.
3.2.1.4 Indien in een inpandige opslagvoorziening meer dan 250 kg of liter gevaarlijke stoffen of CMRstoffen worden opgeslagen, mag de inpandige opslagvoorziening niet op een verdieping van een gebouw zijn gesitueerd. Dit voorschrift is niet van toepassing indien uitsluitend gevaarlijke stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar, worden opgeslagen.
Toelichting:
conform voorschrift 3.2.1.1 moeten ook deze beperkte hoeveelheden in een constructief zelfstandig brandcompartiment met een WBDBO naar andere ruimten van ten minste 60 minuten worden opgeslagen. Door aanvullende voorzieningen op het gebied van brandwerendheid of branddetectie kan van voorschrift 3.2.1.4 worden afgeweken.
3.2.1.5 Op een verdieping van een gebouw mag per 200 m2 vloeroppervlakte van een werkruimte of per brandcompartiment met een WBDBO naar andere ruimten van ten minste 60 minuten ten hoogste 500 kg of l gevaarlijke stoffen of CMR-stoffen, verdeeld in minimaal twee opslagvoorzieningen worden opgeslagen. Dit voorschrift is niet van toepassing indien uitsluitend gevaarlijke stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen.Toelichting: door aanvullende voorzieningen op het gebied van brandwerendheid of branddetectie kan van voorschrift 3.2.1.5 worden afgeweken.
3.2.1.6 Een opslagvoorziening mag niet in een vluchtroute zijn gelegen en mag het vluchten niet belemmeren.
AIBron:Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.
3.2.2.1 De WBDBO van een uitpandige opslagvoorziening naar een andere ruimte en van een andere ruimte naar een opslagvoorziening moet ten minste 60 minuten bedragen. De wanden, het dak en de daarvoor noodzakelijke draagconstructie van de opslagvoorziening moeten een brandwerendheid van ten minste 60 minuten bezitten. In afwijking hiervan geldt dat:
- indien de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 5 meter bedraagt, en binnen deze 5 meter geen opslag van brandgevaarlijke stoffen of goederen en geen brandgevaarlijke activiteiten plaatsvinden, de brandwerendheid van de de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagvoorziening ten minste 30 minuten moet bedragen;
- indien de afstand van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens, een ander bouwwerk dat tot de inrichting behoort, of andere brandbare objecten, ten minste 10 meter bedraagt, en binnen deze 10 meter geen opslag van brandgevaarlijke stoffen/goederen en geen brandgevaarlijke activiteiten plaatsvinden, ten aanzien van de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie geen eis van toepassing is.
Dit voorschrift is niet van toepassing indien uitsluitend gevaarlijke stoffen van klasse 8, verpakkingsgroep II of III, zonder bijkomend gevaar worden opgeslagen.
Toelichting:
Een opslagvoorziening wordt in beginsel gelijkgesteld met een brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003. Het compartiment bezit rondom dezelfde WBDBO, die kan worden gerealiseerd door middel van bouwkundige voorzieningen of door voldoende afstand, dan wel door een combinatie van beide.
3.2.2.2 Het dak van een opslagvoorziening mag niet van brandgevaarlijk materiaal vervaardigd zijn.
Toelichting:
Dit voorschrift heeft ten doel te voorkomen dat het dak van een bouwwerk door een onverhoedse aanraking met vuur in brand vliegt. Het gaat hierbij om zogenaamd vliegvuur, zoals bijvoorbeeld in de rook van een open haard of in geval van een vonkenregen, afkomstig van een nabijgelegen brandend bouwwerk. Om te kunnen vaststellen of een dak niet brandgevaarlijk is, moet het dak bestand zijn tegen een in NEN 6063 omschreven beproeving.
3.2.3.1 De WBDBO van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van rook en van brand gevrijwaarde vluchtroute voert, of een niet besloten veiligheidstrappenhuis mag niet lager zijn dan 60 minuten. Indien meerdere opslagvoorzieningen naast elkaar zijn gelegen moeten tevens maatregelen genomen worden om te voorkomen dat een incident zich van de ene naar de andere opslagvoorziening kan verplaatsen, bijvoorbeeld t.g.v. een uitstromende vloeistof.
Toelichting:
Dit voorschrift geldt zowel voor inpandige opslagvoorzieningen als voor uitpandige opslagvoorzieningen. Een opslagvoorziening wordt gezien als een brandcompartiment. Dit houdt in dat het brandcompartiment een WBDBO van ten minste 60 minuten bezit en dat de wanden, het dak en de draagconstructie van dit compartiment minimaal 60 minuten brandwerend zijn uitgevoerd. Tussen de geschakelde brandcompartimenten moeten voorzieningen aanwezig zijn die ervoor zorgen dat het falen van het ene brandcompartiment niet mag leiden tot het bezwijken van de draagconstructie van het andere brandcompartiment. Indien sprake is van geschakelde opslagvoorzieningen moet in ogenschouw worden genomen dat logistieke aspecten bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het aantal geschakelde opslagvoorzieningen een rol kunnen spelen. Dit is echter afhankelijk van de specifieke bedrijfssituatie en daarom maatwerk.
3.2.4.1 Indien in een opslagvoorziening een automatische brandbeveiligingsinstallatie aanwezig is, kan het bevoegde gezag afwijken van de voorschriften in hoofdstuk 3.2 indien de locale situatie, de informatie van een risico-inventarisatie of de voorschriften van ontwerpnorm van een brandbeveiligingsinstallatie daar aanleiding toe geven.
3.2.4.2 Indien in een voorschrift is bepaald dat een constructie met een brandwerendheid moet zijn uitgevoerd, mogen toegangsdeuren, vluchtdeuren, ramen, ventilatieopeningen of rookluiken in deze constructie geen afbreuk doen aan de vereiste brandwerendheid.
3.2.4.3 Indien in een voorschrift is bepaald dat voor het bepalen van de vereiste WBDBO een constructie met een bepaalde brandwerendheid moet zijn uitgevoerd, moet een in deze constructie aangebrachte deur zelfsluitend zijn uitgevoerd. Een dergelijke deur mag uitsluitend in geopende stand zijn vastgezet, indien een voorziening is aangebracht die in geval van brand de deur automatisch sluit.
3.2.4.4 De wanden, vloer en afdekking van een opslagvoorziening moeten zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal.
3.3.1 Binnen een opslagvoorziening of bij een overslag- of laad- en losgedeelte als bedoeld in voorschrift 3.1.6 moeten bodembeschermde voorzieningen en maatregelen zijn getroffen die in combinatie leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico (A) conform de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). In de vloer van een opslagvoorziening mogen zich geen openingen bevinden die in directe verbinding staan of kunnen worden gebracht met een riolering of met het oppervlaktewater.
Toelichting:
Het verwaarloosbaar bodemrisico, vastgesteld zoals omschreven in de tabellen 3.3 en/of 3.4 van de bodemrisicochecklist van de NRB (deel A3), dient gerealiseerd te worden door middel van:
a) een vloeistofdichte vloer, voorzien van een verklaring vloeistofdichte voorziening op grond van deCUR/PBV-aanbeveling 44, met de daarbij behorende bedrijfsinterne inspecties, of;
b) indien gebruikt gemaakt wordt van de juiste en gesloten emballage, een kerende vloer en/of lekbak met de daarbij behorende maatregelen. Maatregelen bestaan uit toezicht en incidentenmanagement zoals gesteld in de NRB. Verwaarloosbaar bodemrisico wordt alleen bereikt als naast het gebruik en in stand houden van goede voorzieningen (inspectie, onderhoud, reparatie), invulling wordt gegeven aan het toezicht en het incidentenmanagement. Incidentenmanagement bestaat uit faciliteiten en personeel, waarbij men bijvoorbeeld moet denken aan absorptiemiddelen, opleiding en instructies. Met behulp van deel B3 van de NRB kan incidentenmanagement nader ingevuld worden.
Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat het mogelijk is dat in bepaalde doelgroepconvenanten of 8.40-besluiten specifieke afspraken zijn gemaakt.
3.3.2 Indien een vloer vloeistofdicht is uitgevoerd, moet voor deze vloer een geldige, door een deskundig inspecteur afgegeven PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening aanwezig zijn.Toelichting: Een deskundig inspecteur beoordeelt de vloer of voorziening aan de hand van CUR/PBVaanbeveling 44. Na goedkeuring verstrekt een geaccrediteerd bureau een PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening.
3.3.3 Indien een vloer vloeistofkerend is uitgevoerd, moet de vloer periodiek visueel worden geïnspecteerd en moet het opruimen van gelekte of gemorste stoffen zijn gewaarborgd. Hiertoe moet binnen de inrichting een procedure incidentenmanagement aanwezig zijn.
Toelichting:
De procedure incidentenmanagement moet geschikt zijn om ingrijpen bij incidenten bij alle vloeistofkerende vloeren en vloeistofdichte lekbakken die binnen de inrichting aanwezig zijn mogelijk te maken. Aandacht moet zijn besteed aan instructies van het personeel, aanwezigheid van absorptiematerialen (op welke locaties binnen de inrichting aanwezig), overzicht van uitgevoerde en uit te voeren periodieke visuele inspecties, en de te treffen handelingen indien een vloer niet meer vloeistofkerend of een lekbak niet meer vloeistofdicht is.
3.4.2 Een stelling moet tegen aanrijden zijn beveiligd.
3.4.3 Indien tijdens het gebruik van een stelling een stellingonderdeel blijvend is vervormd, moeten onmiddellijk passende maatregelen worden genomen. Alvorens de stelling opnieuw in gebruik wordt genomen moeten beschadigde onderdelen worden vervangen of gerepareerd.3.10.1 Een brandveiligheidsopslagkast waarvan het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari 2006 moet aan NEN-EN-14470-1 voldoen. Een brandveiligheidsopslagkast waarvan het eerste gebruik dateert van vóór die datum moet ten minste voldoen aan NEN 2678.
Toelichting:
De norm NEN-EN-14470-1 kent 4 categorieën van brandwerendheid, te weten 15, 30, 60 en 90 minuten. Afhankelijk van de toepassing van een brandveiligheidsopslagkast moet gekozen worden voor een bepaalde veiligheidsklasse (30, 60 of 90). In bijlage 4 is ingegaan op de verschillende eisen die bij de betreffende veiligheidsklassen behoren. Voor de opslag van gevaarlijke stoffen die onder PGS 15 vallen is het type met 15 minuten brandwerendheid niet geschikt.
3.10.2 Binnen de inrichting moet voor de brandveiligheidsopslagkast waarvan het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari 2006 een productcertificaat aanwezig zijn, waaruit blijkt dat de brandveiligheidsopslagkast voldoet aan de norm als bedoeld in voorschrift 3.10.1.
Toelichting:
Zowel voor de gebruiker als voor de toezichthoudende instanties moet duidelijk zichtbaar zijnaan welke brandveiligheidsnorm de kast voldoet alsook aan welke prestatie.Overeenkomstig de Europese norm EN-14470-1 moet op de voorkant (buitenkant) van de kast op een goed zichtbare plaats de volgende informatie zijn aangebracht:
- deuren sluiten (wanneer kast niet wordt gebruikt);
- gevaarsymbool <Vuur, open vlam, roken verboden> overeenkomstig ISO 3864;
- gevaarsymbool <Brandgevaarlijke stoffen> overeenkomstig ISO 3864;
- de van toepassing zijnde norm, bij nieuwe kasten vanaf mei 2004 moet dit zijn: EN-14470-1 of- NEN-EN-14470-1;
- de brandwerendheids prestatie van de kast, aangegeven in type 30, 60 of 90.
Tevens moet in of op de kast de volgende informatie zijn aangebracht:
- naam of merk van de producent;
- model nummer en jaar van productie;
- maximum toegestane emballage;
- maximale belasting legbord.
Om aan te tonen dat de kast ook werkelijk als type is getest dient de leverancier een testrapport met de kast mee te leveren. Dit testrapport bestaat uit een samenvatting van onderzoek waarin wordt verwezen naar het volledige beproevingsverslag en een omschrijving van het resultaat. Deze samenvatting moet zijn afgedrukt op een document voorzien van logo en naam van het onderzoeksinstituut dat de proef heeft uitgevoerd. Het onderzoeksinstituut moet een voor die verrichting geaccrediteerde instelling zijn.
3.11.1 De verpakking van de in een opslagvoorziening aanwezige gevaarlijke stoffen moet zodanig zijn dat:
- niets van de inhoud uit de verpakking onvoorzien kan ontsnappen;
- het materiaal van de verpakking niet door gevaarlijke stoffen kan worden aangetast, dan wel met die gevaarlijke stoffen een reactie kan aangaan dan wel een verbinding kan vormen;
- de verpakking tegen normale behandeling bestand is.
Aan dit voorschrift wordt in ieder geval voldaan indien de gevaarlijke stoffen zijn verpakt conform de bepalingen van de Verenigde Naties zoals verwoord in de "Recommandations on the Transport of Dangerous Goods" (Oranje Boek).
Toelichting:
Over het algemeen bevinden gevaarlijke stoffen in een opslagvoorziening zich in de zogenaamde UNgekeurde verpakking. Daarnaast zijn er consumentenomverpakkingen die zijn verpakt volgens het regime van de zogenaamde gelimiteerde hoeveelheden (limited quantities / LQ) In deze verpakkingen is een dermate geringe hoeveelheid gevaarlijke stof aanwezig dat er slechts een beperkt risico ontstaat indien deze hoeveelheid vrijkomt. (ADR sectie 3.4 behandelt de wijze waarop gelimiteerde hoeveelheden behandeld moeten worden en welke vrijstellingen daarvoor gelden.) Breekbare verpakking moet in een opslagvoorziening (m.u.v. de werkvoorraad) zoveel mogelijk conform de vervoersregelgeving opgeslagen worden als samengestelde verpakking (zie ADR subsectie 1.2.1 en 4.1.1.5).
3.11.2 De etikettering van de in een opslagvoorziening aanwezige gevaarlijke stoffen moet zodanig zijn dat de gevaarsaspecten van de gevaarlijke stof duidelijk tot uiting komen.
Toelichting:
Conform de UN-regelgeving, respectievelijk ADR (hoofdstuk 5.2) moet elke colli (buitenverpakking) voor het vervoer zijn voorzien van een gevarenetiket, de kenmerking middels het UN-nummer voorafgegaan door de letters “UN”. Verpakkingen met LQ hoeveelheden zijn niet gekenmerkt met een gevarenetiket. Elke verpakking moet echter wel voorzien zijn van een UN-nummer, voorafgaand door de letters “UN”. Indien er sprake is van een samengestelde verpakking dan moeten alle UN-nummers, voorafgaand met de letters “UN” of de letters “LQ” worden vermeld. Tevens moeten gebruiksverpakkingen zijn voorzien van gevaaraanduidingen op grond van de Wms of, indien het voor intern gebruik is, zijn voorzien van werkpleketiketten conform de Arbeidsomstandighedenwet. Dit geldt uiteraard niet voor afvalstoffen.
3.11.3 De verpakking van in de buitenlucht opgeslagen gevaarlijke stoffen moet bestand zijn tegen alle mogelijke weersinvloeden.
3.11.4 Voorzieningen moeten zijn getroffen om beschadiging van emballagemateriaal ten gevolge van transportactiviteiten te voorkomen.
3.12.1 Gevaarlijke stoffen en CMR-stoffen die met elkaar gevaarlijke reacties kunnen aangaan waarbij sterke verhoging van temperatuur of druk optreedt of waarbij gassen kunnen ontstaan die giftiger of brandbaarder zijn dan op grond van de eigenschappen van één van de stoffen is te verwachten, moeten gescheiden van elkaar worden opgeslagen. Dit voorschrift is niet van toepassing voor stoffen die vallen onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden (hoofdstuk 3.4 van het ADR).
Toelichting:
Het doel van het gescheiden opslaan van gevaarlijke stoffen is dat bij het vrijkomen van de stof uit de verpakking voorkomen wordt dat door de vrijgekomen stof een groter (vervolg)effect ontstaat dan op grond van de eigenschappen van de betreffende stof verwacht kan worden. In bijlage 3 is weergegeven hoe in praktische zin deze doelstelling kan worden gerealiseerd. In de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9 zijn voor de in deze hoofdstukken behandelde categorieën gevaarlijke stoffen bijzondere bepalingen opgenomen voor de gezamenlijke opslag met andere gevaarlijke stoffen. Gelimiteerde hoeveelheden betreffen kleine verpakkingen met een tweede (om)verpakking. Bij een lekkage komt er een kleine hoeveelheid vrij, die weinig vervolgschade kan aanrichten; een escalerende reactie met een ander product is dan minder waarschijnlijk. De uitzondering voor gelimiteerde hoeveelheden geldt alleen indien de stoffen in de transportverpakking zijn opgeslagen.
3.13.1 Indien verpakte gevaarlijke stoffen gestapeld worden opgeslagen, moet de verpakking op veilige wijze gestapeld zijn, waarbij rekening gehouden wordt met de sterkte van de verpakking.
3.13.2 Pallets met verpakte gevaarlijke stoffen die zijn gestapeld, moeten van een deugdelijke constructie zijn. Voor iedere wijze van verpakking moet afhankelijk van gewicht en sterkte van de verpakking een maximale stapeling worden vastgesteld.
3.13.3 Breekbare (glazen) enkelvoudige verpakking mag niet worden gestapeld.
3.13.4 In een opslagvoorziening mogen geen gemotoriseerde transportmiddelen aanwezig zijn, anders dan ten behoeve van en slechts gedurende de tijd van het laden en lossen.
Toelichting:
het stallen van vorkheftrucks in een opslagvoorziening voor gevaarlijke stoffen wordt beschouwd als een activiteit waardoor het risico toeneemt. Indien het echter gaat om een vorkheftruck die volledig aan de ATEX-richtlijn voldoet, of indien een vorkheftruck in een apart vak wordt gestald, kan van dit voorschrift worden afgeweken.
3.13.5 De opslagvoorziening moet regelmatig worden gecontroleerd op lekkages of beschadiging van de aanwezige emballage.
3.14.1 Gemorste of gelekte gevaarlijke stoffen die in een opslagvoorziening zijn vrijgekomen moeten zo snel mogelijk worden opgeruimd. Daartoe moeten in of nabij de opslagvoorziening materialen aanwezig zijn om deze stoffen te immobiliseren, te neutraliseren of te absorberen. De aard en hoeveelheid van deze materialen moeten zijn afgestemd op de aard en hoeveelheid van de opgeslagen gevaarlijke stoffen, en de grootte van de aanwezige verpakkingen. Indien een verpakking lekt, moet deze lekkage onmiddellijk worden verholpen, bijvoorbeeld door lekkende vaten in overmaatse vaten te plaatsen. Bij lekkage moet ontwikkeling en verspreiding van giftige of explosieve stoffen of stankstoffen tot een minimum worden beperkt door doelmatige ventilatie, beperking van verspreiding van de vloeistof en snelle opname door middel van absorptiemateriaal.
3.14.2 Ten behoeve van de veiligheid van de werknemers moet binnen de inrichting een instructie aanwezig zijn die de te nemen maatregelen bij een lekkage of een incident met gevaarlijke stoffen beschrijft. De bedrijfsleiding moet deze instructie actueel houden en werknemers hierover inlichten.
Toelichting:
Indien het gevaarlijke stoffen van de klasse 6.2 (uitsluitend categorie I3 of I4) betreft, moet in het bijzonder aandacht worden besteed aan het tijdig inschakelen van ter zake deskundigen.
3.14.3 Op een duidelijk zichtbare plaats bij de toegang tot de inrichting of bij de portier moet een duidelijk leesbare instructie zijn aangebracht over de te nemen maatregelen in het geval van een calamiteit. Deze instructie moet gegevens bevatten van instanties of personen waarmee in het geval van een calamiteit contact moet worden opgenomen.
3.15.1 Binnen een opslagvoorziening en tevens binnen een afstand van 2 m daarbuiten mag niet worden gerookt en mag geen open vuur aanwezig zijn. Aan de buitenzijde van de opslagvoorziening moet op daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod een pictogram overeenkomstig NEN 3011 zijn aangebracht.
3.15.2 Voor elke 200 m2 vloeroppervlakte van een opslagvoorziening moet ten minste één draagbaar blustoestel aanwezig zijn met een vulling van ten minste 6 kg of liter blusstof. Het blustoestel moet tegen weersinvloeden zijn beschermd. De keuze van het type blustoestel moet zodanig zijn dat deze geschikt is om een beginnende brand van de opgeslagen stoffen te blussen.
3.16.1 Aan de buitenzijde van een opslagvoorziening, nabij de toegangsdeur(en) moeten op duidelijk zichtbare plaatsen waarschuwingsborden worden geplaatst, welke het gevaar van de opgeslagen gevaarlijke stoffen aanduiden. Op daartoe geschikte plaatsen moeten de betreffende gevaarsymbolen zijn aangebracht:
| a. | voor wat betreft de opslag van (licht) ontvlambare vloeistoffen, het pictogram "ontvlambare |
| stoffen of hoge temperatuur"; | |
| b. | voor wat betreft de opslag van bijtende stoffen het pictogram "bijtende stoffen" |
| c. | voor wat betreft de opslag van giftige stoffen het pictogram "giftige stoffen"; |
| d. | voor wat betreft de opslag van oxiderende stoffen het pictogram "oxiderende stoffen". |
Bij alle opslagvoorzieningen moet het verbodsbord "vuur, open vlam en roken verboden" zijnaangebracht. In plaats van bovengenoemde symbolen mogen ook de “grote etiketten” behorende bij de klasse 3, 8, 6.1 en 5.1 zoals nader omschreven in ADR hoofdstuk 5.3.1) worden geplaatst.
Bron: Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.
Toelichting:
In bijlage 2 zijn voorbeelden van de voor de veiligheidssignalering te gebruiken gevaarsymbolen weergegeven.3.16.2 Binnen de inrichting moeten veiligheidsinformatiebladen (VIB’s) van de opgeslagen gevaarlijke stoffen beschikbaar zijn. De VIB’s moeten voldoen aan EG-richtlijn 91/155/EEG. Dit voorschrift geldt niet voor stoffen die niet onder de Wms vallen en niet voor gevaarlijke afvalstoffen.Bron: Veiligheidsinformatiebladenbesluit Wms.Toelichting: Veiligheidsinformatiebladen (ook wel genoemd “material safety data sheets”, MSDS) mogen ook digitaal in de inrichting beschikbaar zijn.
Tabel 4: Vereiste beschermingsniveaus voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen
| Brandbaarheid | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Gevaar conform de klasse zonder bijkomend gevaar** | Vlampunt≤ 61˚ C | Vlampunt> 61˚ C en ≤ 100˚ C | Vlampunt> 100˚ C | Brandbare vaste stoffen | Onbrandbare stoffen (vast, vloeibaar, gas) |
| 3 | 1/1 of 2/2* | - | - | - | - |
| 5.1 | - | - | - | - | 3/3 |
| 6.1 | 1/1 | 1/2 | 2/3 | 2/3 | 3/3 |
| 6.2 (cat. 13 en 14) | |||||
| 8 | 1/1 of 2/2* | 2/2 | 2/3 | 3/3 | 3/3 |
| 9 | - | 1/2 | 2/3 | 3/3 | 3/3 |
| CMR-stoffen | 1/1 | 1/2 | 2/3 | 2/3 | 3/3 |
Tabel 5: grenswaarden voor het vaststellen van een beschermingsniveau
| Gevaar conform klasse zonder bijkomendgevaar* | Omschrijving en specificatie | Grenswaard e (kg) |
|---|---|---|
| 3 | Brandbare vloeistoffen met een vlampunt tot 61 ºC | 400 |
| - | Brandbare vloeistoffen met een vlampunt tussen 61 ºC en 100 ºC | 1.000 |
| - | Brandbare vloeistoffen met een vlampunt groter dan 100 ºC | 2.500 |
| Brandbare vaste stoffen | 2.500 | |
| Totale hoeveelheid brandbare stoffen (vast en vloeibaar) | 2.500 | |
| 5.1 | Oxiderende stoffen | 2.500 |
| 6.1 | Giftige stoffen | 2.500 |
| 8 | Bijtende stoffen | 2.500 |
| 9 | Milieugevaarlijke stoffen | 2.500 |
| CMR-stoffen | 2.500 | |
| Totale hoeveelheid giftige, bijtende en milieugevaarlijke stoffen en CMR-stoffen | 2.500 | |
| Gevaarlijke stoffen in niet-metalen verpakkingen | 2.500 |
4.7.1 In de opslagvoorziening moet de productopvangcapaciteit zijn berekend aan de hand van tabel 6.
Tabel 6: Productopvangcapaciteit per beschermingsniveau
| Vlampunt ≤ 61 ºC | Vlampunt > 61 ºC | |
|---|---|---|
| Beschermingsniveau 1 | 100 % van de aanwezige vloeistoffen in het grootste vak, 10 % indien de aanwezige vloeistoffen zich uitsluitend in metalen verpakking bevinden | 10 % van de aanwezige vloeistoffen in het grootste vak |
| Beschermingsniveau 2 | 100 % van de aanwezige vloeistoffen in de opslagvoorziening | 10 % van de aanwezige vloeistoffen in de opslagvoorziening |
| Beschermingsniveau 3 | n.v.t. | 10 % van de aanwezige vloeistoffen in het grootste vak |
4.8.1.1 Indien overeenkomstig voorschrift 4.5.1 in een opslagvoorziening beschermingsniveau 1 moet zijn gerealiseerd, moet een geschikte brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die bedrijfsgereed is.
Toelichting: In bijlage 5 is een overzicht gegeven van de gangbare brandbeveiligingsinstallaties. Bovendien zijn in deze bijlage belangrijke kenmerken van deze brandbeveiligingsinstallaties beschreven.
4.8.1.2 Indien overeenkomstig voorschrift 4.5.1 in een opslagvoorziening beschermingsniveau 2 moet zijn gerealiseerd, moet een brandbeveiligingsinstallatie aanwezig zijn die bedrijfsgereed is en die ten minste bestaat uit de volgende voorzieningen en maatregelen:
- in de opslagvoorziening moet een snel branddetectiesysteem zijn geïnstalleerd;
- de lokale brandweer moet binnen 15 minuten inzetbaar zijn, dan wel binnen de inrichting moet een bedrijfsbrandweer aanwezig zijn;
- in de opslagvoorziening moet een rook- en warmteafvoerinstallatie (RWA) zijn aangebracht;
- in de inrichting moet nabij de opslagvoorziening een voorraad schuimvormend middel aanwezig zijn omdat bij een mogelijke blussing uitgegaan moet worden van toepassing van schuim;
- de in tabel 7 genoemde maximale oppervlakken voor opslagvoorziening en vakgrootte moeten worden gehanteerd.
Tabel 7: Maximale oppervlakken opslagvoorziening en vakgrootte bij beschermingsniveau 2
| Maximaal toegestaan oppervlak in m2 van de opslagvoorziening bij beschermingsniveau 2 | ||||
|---|---|---|---|---|
| Hoeveelheid brandbare vloeistoffen in kg | Niet metaal (vakgrootte maximaal 100 m2) | Metaal (vakgrootte maximaal 300 m2) | ||
| ≤ 61 ºC | > 61ºC | ≤ 61 ºC | > 61 ºC | |
| ≤ 2.500 | 1.500 | 1.500 | 1.500 | 2.500 |
| > 2.500 | 800 | 800 | 800 | 1.500 |
Toelichting: Tabel 7 geeft samenvattend weer wat het maximale vloeroppervlak van een opslagvoorziening mag zijn die is uitgevoerd op beschermingsniveau 2. Ten eerste is het van belang hoe groot de maximale hoeveelheid brandbare vloeistoffen is en of het vloeistoffen betreft met een vlampunt hoger of lager dan 61 ºC. Vervolgens is het van belang of deze brandbare vloeistoffen in metalen of in niet-metalen verpakking worden opgeslagen. Naarmate het vlampunt van de brandbare vloeistoffen hoger is, en indien deze vloeistoffen in metalen verpakking worden opgeslagen, mogen grotere vakgroottes en grote vloeroppervlaktes van de opslagvoorziening worden toegepast.
4.8.2 Beoordeling, certificatie en goedkeuring van brandbeveiligingsinstallaties5.6.1 In de inrichting mogen gevaarlijke stoffen uit de ADR/IMDG-code klasse 2 tot en met 9 worden opgeslagen.
Toelichting:
Voor de opslag van radioactieve stoffen (klasse 7) is de minister van VROM het bevoegde gezag. Om tegenstrijdigheden met een vergunning krachtens de Kernenergiewet te voorkomen is de opslag van klasse 7 in deze vergunning niet nadrukkelijk uitgezonderd. De opslag van explosieven (klasse 1) valt niet onder de werkingssfeer van PGS 15. Indien opslag van explosieven zich kan voordoen, moet hier in de vergunning nadrukkelijk aandacht aan worden besteed.
5.6.2 Containers met gevaarlijke stoffen moeten worden opgeslagen op een voor de opslag van containers bestemd deel van het open terrein van de inrichting.
5.6.3 De vloer van het terreingedeelte waar containers met gevaarlijke stoffen worden opgeslagen, moet zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Een vloer moet voldoende stabiliteit bieden en geëgaliseerd zijn
.
5.6.4 Open containers waarin zich niet-waterdicht verpakte gevaarlijke stoffen bevinden moeten tegen inregenen zijn beschermd.
5.6.5 (Tank)containers met gevaarlijke stoffen moeten zodanig zijn opgesteld, dat ze altijd voor inspectie bereikbaar zijn en kunnen worden afgevoerd naar de calamiteitenplaats.Toelichting: De ruimte aan de deurzijde van een container moet zodanig zijn bemeten dat uitwendige inspectie van eencontainer te allen tijde mogelijk is. Voor een eventuele inspectie is een ruimte van + 0,5 m zeker noodzakelijk.
5.6.6 Op een open topcontainer mag geen andere container worden gestapeld, tenzij de containers door middel van twistlocks worden gekoppeld. Dit voorschrift is niet van toepassing indien verplaatsing van een container ten gevolge van stoten niet mogelijk is, bijvoorbeeld indien stapeling plaatsvindt onder een brugkraan of in een automatische stack.
5.6.7 (Tank)containers met gevaarlijke stoffen moeten in de buitenste rijen van de stapeling zijn geplaatst.
Toelichting: De doelstelling van dit voorschrift is het realiseren van bereikbaarheid van containers met gevaarlijke stoffen t.b.v. het ingrijpen bij een calamiteit. Met dit voorschrift wordt geen scheiding tussen containers met gevaarlijke en ongevaarlijke lading beoogd.5.6.8 Tankcontainers die gevaarlijke stoffen van de klasse 3, 5.1 of 5.2 bevatten, mogen niet boven elkaar worden gestapeld en niet rechtstreeks naast elkaar worden geplaatst. In dergelijke gevallen moet een andere container tussen de te scheiden containers worden geplaatst, dan wel een overeenkomstige afstand worden aangehouden.5.6.9 Voordat (tank)containers met gevaarlijke stoffen in de stapeling worden geplaatst, moeten zij aan de buitenkant visueel worden geïnspecteerd om mogelijke onregelmatigheden zoals lekkages vast te stellen.Toelichting: Dit voorschrift is niet van toepassing als aan de landzijde bij binnenkomst en aan de zeezijde bij lossing al is geïnspecteerd.5.6.10 Lege ongereinigde tankcontainers waarin gevaarlijke stoffen vervoerd zijn, moeten worden behandeld als gevulde tankcontainers.
5.6.11 (Tank)containers moeten zodanig worden geplaatst dat minimaal één gevaarsetiket zichtbaar blijft.
5.6.12 Een tankcontainer die is voorzien van een etiket modelnummer 2.3 van het ADR en een tankcontainer van de klasse 8 die ook voorzien moet zijn van een etiket modelnummer 6.1, moet op het maaiveld worden geplaatst.Toelichting: Het betreft onder meer ammoniak, chloor en zwaveldioxide (klasse 2) en fluorwaterstof en broom (klasse 8). In het ADR, tabel 3.2 kolom 5, is bepaald welke tankcontainers met stoffen uit IMDG-klasse 8 aanvullend geëtiketteerd moeten worden met een etiket model 6.1.
5.6.13 Tankcontainers geladen met gevaarlijke stoffen, zoals genoemd in voorschrift 5.6.12, moeten ten minste 5 m verwijderd blijven van (tank)containers met brandbare vloeistoffen met een vlampunt lager dan 61 0C, alsmede van (tank)containers met brandbare gassen.
5.6.15 De afstand van een tankcontainer met gevaarlijke stoffen tot een container met stoffen van de klasse 7 moet ten minste 50 meter bedragen. De afstand van een boxcontainer met gevaarlijke stoffen tot een container met stoffen van de klasse 7 moet ten minste 25 meter bedragen.
Toelichting:
Afstanden tot ontplofbare stoffen zijn vastgelegd in de “handreiking voor nederleggen tijdens vervoer voor vuurwerk”.
6.2.1 Gasflessen, waarvan de gezamenlijke waterinhoud meer bedraagt dan 115 liter, moeten, met uitzondering van werkvoorraden, op een laskar geplaatste gasflessen of gasflessen die zijn aangesloten aan een verzamelleiding, worden opgeslagen in een daarvoor bestemde opslagvoorziening. In een opslagvoorziening mogen geen andere goederen aanwezig zijn die voor het beheer van de gasflessen niet functioneel zijn.
6.2.2 De voorschriften van hoofdstuk 6 zijn ook van toepassing op lege gasflessen.
6.2.3 Gasflessen moeten zijn voorzien van de vereiste ADR-gevaarsetiketten.
6.2.4 Indien opslag van gasflessen plaatsvindt tegen de gevel van een tot de inrichting behorend gebouw moet dat deel van de wand, en de wand tot maximaal 4 m boven en 2 m aan weerszijden van de gasflessen een brandwerendheid van ten minste 60 minuten te bezitten.
6.2.5 In afwijking van voorschrift 3.2.2.1 gelden de in tabel 8 genoemde afstanden van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens of tot bouwwerken die tot de inrichting behoren dan wel andere brandbare objecten, afhankelijk van totale hoeveelheid opgeslagen gasflessen en de WBDBO van een eventueel aanwezige wand tussen de opslag en inrichtingsgrens of object:
Tabel 8: Afstanden van de opslagvoorziening tot de inrichtingsgrens/bouwwerken van de inrichting of brandbare objecten
| totale waterinhoud van de opgeslagen gasflessen minder dan 2.500 liter | totale waterinhoud van de opgeslagen gasflessen meer dan 2.500 liter | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
| WBDBO 60 minuten | WBDBO 30 minuten | WBDBO 0 | WBDBO 60 minuten | WBDBO 30 minuten | WBDBO 0 | |
| Afstand in m tot inrichtingsgrens | 0 | 1 | 3 | 0 | 3 | 5 |
| Afstand in m tot bouwwerk of brandbaar object binnen de inrichting | 0 | 3 | 5 | 0 | 5 | 10 |
Toelichting: Aan dit voorschrift is voldaan indien het bouwwerk dat tot de inrichting behoort zelf reeds aan de eisen met betrekking tot de WBDBO voldoet voor de projectie van de opslag op dat bouwwerk (2 m aan weerszijden van de opslag) en, indien dat bouwwerk hoger is, ook daarboven tot maximaal 4 meter boven de projectie.
6.2.6 Gasflessen moeten door vastzetten of anderszins tegen omvallen zijn beschermd.
Toelichting: Gasflessen waarvan de constructie zodanig is dat zij stabiel staan behoeven niet te worden vastgezet; dit geldt over het algemeen voor propaan/butaan cilinders en andere (gelaste) cilinders met een grote doorsnede. Als de opslag van gasflessen tegen een achterwand/muur plaatsvindt moet de gasfles met behulp van een ketting of beugel zijn vastgezet aan die achterwand/muur. Als de opslag van gasflessen plaatsvindt in een vak of compartiment dan moet dit aan de volgende voorwaarden voldoen:
- het vak dient aan drie zijden gesloten te zijn door een muur of een staalconstructie met een hoogte welke toereikend is om omvallen te voorkomen;
- de gasflessen moeten zo dicht mogelijk bij elkaar en bij de wanden worden neergezet om volledig omvallen te voorkomen.
- de voorzijde van het vak moet voorzien zijn van een constructie (ketting, beugel of spanband) waarmee het omvallen van gasflessen wordt voorkomen; deze voorziening behoeft niet in gebruik te zijn indien er gedurende werktijd aan- en afvoer van gasflessen in het vak plaatsvindt;
- indien in het vak gasflessen van verschillende grootte worden opgeslagen moet het beschermingsniveau tegen omvallen voor alle gasflessen gelijk zijn. De gebruikelijke transportpallets voor gasflessen voldoen aan bovenstaande eisen.
6.2.7 De totale waterinhoud van een (gas)flessenbatterij mag niet meer bedragen dan 3.000 liter, met uitzondering van batterijen bestemd voor het vervoer van giftige gassen van ADR klasse 2 die moeten worden beperkt tot een totale inhoud van 1.000 liter waterinhoud.
6.2.8 De vloer van de opslagvoorziening mag niet lager zijn gelegen dan de omliggende vloer, van aangrenzende ruimten of van het omringende maaiveld. Deze vloer moet vlak zijn, en zijn vervaardigd van onbrandbaar materiaal. Bij een open opslagvoorziening moet deze afwaterend zijn uitgevoerd. De vloer moet zodanig zijn uitgevoerd dat zich onder de vloer geen gas kan verzamelen.
6.2.9 Gasflessen waarvan de herkeurtermijn (periodiek onderzoek) is verstreken mogen niet binnen de inrichting aanwezig zijn.Toelichting: dit voorschrift is niet van toepassing bij (tussen)opslagbedrijven waar gasflessen worden verzameld voor herkeuring of bij bedrijven in de afvalsector. Een depothouder moet in staat worden gesteld om lege gasflessen, al dan niet binnen de herkeuringstermijn, gezamenlijk op te slaan tot het tijdstip van het eerste transport voor afvoer.
6.2.10 In een opslagvoorziening mogen geen afsluiters worden geopend. Aan de buitenzijde van de opslagplaats moet op daartoe geschikte plaatsen met betrekking tot dit verbod met duidelijk leesbare letters, hoog ten minste 5 cm, het opschrift zijn aangebracht: "OPENEN VAN AFSLUITERS VAN GASFLESSEN VERBODEN" overeenkomstig NEN 3011. Het is echter toegestaan dat in combinatie met opslag, gasflessen via een verbinding met vaste leidingen zijn gekoppeld aan een installatie waar deze gassen worden toegepast. Het hiervoor genoemde verbod tot openen van afsluiters geldt niet voor deze gasflessen.
6.2.11 Het stapelen van gasflessen is alleen toegestaan indien de constructie van de gasflessen hierin voorziet. Bij het stapelen in staande toestand mogen niet meer dan drie lagen gasflessen op elkaar zijn geplaatst, behoudens wanneer gebruik wordt gemaakt van pallets die een hogere stapeling toestaan. Het is verboden gasflessen die zijn gevuld met een giftig of brandbaar gas dat tot vloeistof is verdicht of in vloeistof is opgelost, in liggende toestand op te slaan of te stapelen.Toelichting: In afwijking van dit voorschrift mogen lege gasflessen wel in liggende toestand worden gestapeld, dit echter tot een maximum van zes lagen op elkaar.
6.2.12 Gasflessen met gassen met gelijksoortige gevaarseigenschappen moeten bij elkaar worden opgeslagen.Toelichting: Het is gebruikelijk om gasflessen met gassen met overeenkomstige gevaarseigenschappen bij elkaar op te slaan. De gasflessen met eenzelfde verfkleur op de schouder worden bij elkaar opgeslagen. Hiermee wordt de kans op verwisseling van gassoorten verkleind en kan bij calamiteiten effectief worden opgetreden.
6.2.13 Zichtbaar beschadigde of lekkende gasflessen moeten apart gezet worden op een locatie waar het uitstromende gas zo weinig mogelijk gevaar oplevert.
6.2.14 Natuurlijke ventilatie moet steeds zijn gewaarborgd. Een eventueel dak moet van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd en zodanig zijn uitgevoerd dat eventueel vrijgekomen gassen zich daaronder niet kunnen ophopen.
6.2.15 Indien opslag plaatsvindt van gasflessen met brandbare gassen die zwaarder zijn dan lucht zoals propaan en butaan, moet een afstand worden aangehouden van ten minste 5 m tot kelderopeningen, putten en straatkolken die in open verbinding staan met de riolering en van tenminste 7,5 m tot aanzuigopeningen van ventilatiesystemen die zijn gelegen op minder dan 1,5 m boven het maaiveld.
6.2.16 In situaties waarin gevaar bestaat op beschadiging van gasflessen ten gevolge van frequente voertuigbewegingen moet dat deel van de opslagvoorziening waar frequente voertuigbewegingen plaatsvinden zijn voorzien van een aanrijdbeveiliging.
6.2.17 Van een inpandige opslagvoorziening moet ten minste één wand een buitenmuur zijn waarin zich ten minste één deur bevindt. AI
De gevaarlijke stoffen behorende tot de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 van het ADR hebben specifieke fysische eigenschappen en gevaarsaspecten waardoor het basisvoorzieningenniveau zoals vastgelegd in hoofdstuk 3 en de systematiek voor het bepalen van het noodzakelijke beschermingsniveau zoals vastgelegd in hoofdstuk 4, niet toereikend is. Hoofdstuk 8 geeft mogelijkheden hoe voor deze stoffen een gelijkwaardig beschermingsniveau kan worden bereikt ten opzichte van de voorzieningen zoals genoemd in hoofdstuk 4. De voorschriften hebben uitsluitend betrekking op stoffen van de klassen 4.1, 4.2 en 4.3 die tot het vervoer zijn toegelaten. In tabel 9 zijn enkele voorbeeldstoffen uit de klasse 4 weergegeven. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op opslag van stoffen van de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 in een brandveiligheidsopslagkast.
Tabel 9 Overzicht klasse 4 met enkele voorbeeldstoffen
| Klasse | verpakkingsgroep | Voorbeeld |
|---|---|---|
| 4.1 | I | UN 1310 Ammoniumpikraat bevochtigd UN 1320 Dinitrofenol >15% water UN1356 Trinitrotolueen >30% water UN 3317 2-Amino- 4,6-dinitrofenol >20% water |
| II | UN 1309 Aluminium poeder (gecoat) UN 1333 Cerium UN 2989 Loodfosfiet (indien losgestort dan VP III) | |
| III | UN 1350 Zwavel | |
| 4.2 | I | UN 1381 Fosfor wit/geel UN 2005 Difenylmagnesium |
| II | UN 1362 (active) kool (een beperkt aantal soorten) UN 1385 Natriumsulfide | |
| III | UN 1363 Copra UN 3174 Titaandisulfide | |
| 4.3 | I | UN 1295 Trichloorsilaan UN 1360 Calciumfosfide UN 2257 Kalium |
| II | UN 2624 Magnesiumsilicide | |
| III | UN 1408 Ferrosilicium UN 1403 Calciumcyaanamide |
8.5.1.1 Opslag van gevaarlijke stoffen van de klasse 4.1, 4.2 of 4.3 moet volgens tabel 10 plaatsvinden.
Tabel 10: Beschermingsniveaus voor opslag van stoffen van de klasse 4.1, 4.2, en 4.3
| ADR 4.1 | ADR 4.2 | ADR 4.3 | |||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Kg | VG I | VG II | VG III | VG I | VG II | VG III | VG I | VGII | VG III |
| < 2.500 | maatwerk | 3 (x) | 3 | 3 (xx) | 3 (x) | 3 (x) | 3 (xx) | 3 (xx) | 3 (x) |
| 2.500 – 10.000 | maatwerk | 3+ (x) | 3 | 3+ (xx) | 3+ (x) | 3 (x) | 3+ (xx) | 3 (xx) | 3 (x) |
| > 10.000 | maatwerk | 1 (x) | 3+ (x) | 1 (xx) | 1 (x) | 3+ (x) | 1 (xx) | 1 (xx) | 3+ (x) |
(x) in deze opslagvoorziening mogen geen gevaarlijke stoffen van de klasse 3 worden opgeslagen
(xx) in deze opslagvoorziening mogen geen andere gevaarlijke stoffen worden opgeslagen
+ beschermingsniveau aangevuld met geschikte detectie en doormelding; voor de hoeveelheden van2.500 tot 10.000 kg van alle klassen en verpakkingsgroepen geldt, dat het toepassen van de aanvullende voorzieningen (detectie en doormelding) op basis van maatwerk (o.a. soort stof en uitvoering opslagvoorziening) beoordeeld moet worden. Daarbij dient het beoogde veiligheidsniveau (een snelle signalering van een mogelijk incident en de mogelijkheid van snel ingrijpen om de omvang van het incident te beperken) te worden gewaarborgd.Organische peroxiden (klasse 5.2) moeten worden opgeslagen conform de richtlijn CPR 3 (tweede uitgave 1997). In de praktijk komt het regelmatig voor dat naast de reguliere gevaarlijke stoffen ook organische peroxiden worden opgeslagen. In dit hoofdstuk is ingegaan op de randvoorwaarden waaronder een dergelijke gecombineerde opslag mogelijk is. Een maximale opslaghoeveelheid van 1.000 kg organischeperoxiden per inrichting, onder PGS15-condities, is toegestaan. Deze uitzondering geldt uitsluitend voor organische peroxiden verpakt als “limited quantities” (LQ) (ADR 3.2.1 en 3.4). Daarnaast wordt het toestaan beperkt tot de peroxiden met UN-nummer 3103 t/m UN-nummer 3110 (type C t/m F zonder temperatuurbeheersing).
(Opm: Er geldt dus een maximum van 1.000 kg organische peroxiden per inrichting. Ongeacht of dit verdeeld is over meerdere opslagvoorzieningen. Wanneer men meer dan 1.000 kg binnen een inrichting wil opslaan, dan geldt CPR 3).
Hieronder wordt gemotiveerd aangegeven waarom afgeweken kan worden van de CPR 3. Het toestaan van organische peroxiden is bedoeld voor opslag van kleinverpakkingen (zoals tubes met hardener of twee-componenten lijm). Om deze reden worden voorwaarden gesteld. In het algemeen kunnen de gevaren van organische peroxiden als volgt worden omschreven:
-ontledingsreactie bij temperatuurverhoging;
-ontledingsreactie kan door contaminatie (verontreiniging) worden veroorzaakt;
-hoge brandsnelheid;
-moeilijk te ontsteken (eerst moet een ontledingsreactie in gang worden gezet).
Het beperkt toestaan kan worden gemotiveerd door bovengenoemde gevaren te reduceren. Deze reductie van de gevaren wordt bereikt door:
- alleen thermisch stabiele peroxiden (geen Tc) en opslag in aparte vakken of aparte opslagvoorzieningen toe te staan;
- reductie van de verpakkingsgrootte. Reductie van de verpakkingsgrootte heeft twee effecten:
*
De brandsnelheid is afhankelijk van the type peroxide en afhankelijk van de gebruikte verpakking. De in de CPR 3 gehanteerde brandsnelheid is die voor de max. toegestane verpakkingsgrootte, vaak 50 kg. De max. verpakkingsgrootte voor LQ is 500 g voor vaste stoffen en 125 ml voor vloeistoffen (afhankelijk van UN-nummer).
*
De ontledingssnelheid zal worden geremd. Een langzame ontledingsreactie zal geen of slechts
een langzame drukopbouw veroorzaken
Genoemde organische peroxiden in LQ zijn voor het ADR vanwege hun geringe gevaar vrijgesteld van de eisen die voor transport van klasse 5.2 van toepassing zijn (ADR 3.4.5).
Organische peroxiden van type G kunnen worden vrijgesteld van de richtlijn CPR 3. Tevens zijn zij voor het ADR vrijgesteld van klasse 5.2 (ADR 2.2.52.1.6). Indien deze stoffen op basis van hun gevaarseigenschappen niet in een ander klasse van het ADR worden ingedeeld, vallen zij volgens ADR niet onder de noemer gevaarlijke stoffen. Omdat type G peroxiden worden beschouwd als aanverwante stoffen is opslag in een opslagvoorziening toegestaan. De bepalingen van par. 9.2 zijn voor type G peroxiden niet van toepassing.
Samenhang met hoofdstuk 3 Algemeen
De voorschriften uit hoofdstuk 3 Algemeen zijn eveneens van toepassing op de opslag van een beperkte hoeveelheid organische peroxiden in een opslagvoorziening.
Bouwwerk (Modelbouwverordening)
Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt inof op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.
Toelichting: Hoewel de Woningwet geen definitie geeft van het begrip bouwwerk wordt in de jurisprudentieaangesloten bij de definitie die de Modelbouwverordening geeft.
Brandbare vloeistof (ADR)
Een vloeistof vallend die, in verpakte vorm, volgens het ADR het etiket volgens model nr. 3 draagt.
Brandbare vaste stof
Een vaste stof vallend onder de klasse 4.1 van het ADR.
Brandcompartiment (Bouwbesluit)
Brandcompartiment als bedoeld in het Bouwbesluit 2003 (gedeelte van één of meer gebouwen bestemdals maximaal uitbreidingsgebied van brand).
Brandmeldinstallatie
Een samenstelsel van detectoren, bekabeling, een brandmeldcentrale en een doormeldinstallatie, dat nodig is voor ontdekken van een brand, het melden van brand en het geven van stuursignalen ten behoeve van andere installaties.Brandmeldinstallatie met volledige bewaking Brandmeldinstallatie met automatische melders in alle ruimten met uitzondering van natte ruimten en dergelijke (zie NEN 2535).
Brandwerendheid
Brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie bepaald volgens NEN 6069.
Brandveiligheidsopslagkast
Een zelfstandige niet betreedbare opslagvoorziening voor de opslag van gevaarlijke stoffen
Bijkomend gevaar
Een stof of voorwerp wordt aan de hand van de grootste gevaarseigenschap ingedeeld in een gevarenklasse van het ADR. Heeft die stof of voorwerp nog bijkomende gevaren die van belang kunnen zijn maar niet het grootste gevaar is dan wordt dit als een bijkomend gevaar benoemd.
CMR-stoffen
Stoffen of preparaten die volgens bijlage I bij Richtlijn nr. 67/548/EEG geclassificeerd zijn als Kankerverwekkend categorie 1 of 2 en/of als Mutageen categorie 1 of 2 en/of als "voor de voortplanting giftig" categorie 1 of 2. Het handelt dus alleen om producten die het symbool "T" (Giftig) toegekend hebben gekregen.
Toelichting: Voor een overzicht van deze stoffen wordt verwezen naar de volgende overzichten van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid :
- SZW-lijst van kankerverwekkende stoffen en processen.
- SZW-lijst van mutagene stoffen.
- Niet-limitatieve lijst van voor de voortplanting giftige stoffen.
Deze lijst is ook te vinden op de Internetpagina van het Nederlands Focal Point voor veiligheid en gezondheid op het werk:
http://arbo.nl/topics/subject/bedrijfsgezondheidszorg/beroepsziekten1.stm
onder giftige stoffen. Ook is de lijst verkrijgbaar bij de Informatietelefoon van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (0800 9051). Tweemaal per jaar wordt de meest recente versie gepubliceerd in de Staatscourant.
Cryo-houder (ADR)
Een cryo-houder is een verplaatsbare drukhouder met warmte-isolerende bescherming voor het vervoer van sterk gekoelde vloeibaar gemaakte gassen met een inhoud van ten hoogste 1.000 liter.
Drukhouder (ADR)
Een drukhouder is een verzamelterm die flessen, grote cilinders, drukvaten, gesloten cryohouders en flessenbatterijen omvat.
Drukvat (ADR)
Een gelaste verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van meer dan 150 liter en niet meer dan 1000 liter (bijv. cilindervormige houders met rolbanden en bolvormige houders op sleden).
Gas (ADR)
Een stof die bij 50 °C een dampdruk bezit hoger dan 300 kPa (3 bar), of bij 20 °C en de standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.
(Gas)fles (cilinder) (ADR)
Een verplaatsbare drukhouder met een waterinhoud van niet meer dan 150 liter.
| Verpakkingsgroep I: Verpakkingsgroep II: Verpakkingsgroep III: | zeer gevaarlijke stoffen gevaarlijke stoffen minder gevaarlijke stoffen. |
Viscositeitsregel ADR
De viscositeitsregel in het ADR, onder 2.2.3.1.5. is als volgt:
Niet giftige en niet bijtende oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23 °C en hoger (viskeuze stoffen, zoals verven en lakken, uitgezonderd stoffen die meer dan 20% nitrocellulose bevatten, zie voorschrift 2.2.3.1.4 van de ADR) verpakt in houders met een inhoud van ten hoogste 450 liter, zijn niet onderworpen aan de voorschriften van het ADR indien bij de beproeving van afscheiding van oplosmiddel (zie het Handboek beproevingen en criteria, deel III, subsectie 32.5.1) de hoogte van de afgescheiden laag oplosmiddel kleiner is dan 3% van de totale hoogte en indien deze stoffen in de uitloopbeker volgens ISO-norm 2431:1993 met een uitloopopening van 6 mm diameter bij 23 °C een uitlooptijd:
a. van ten minste 60 seconden, of
b. van ten minste 40 seconden bezitten en niet meer dan 60% stoffen van klasse 3 bevatten.
Vlampunt (ADR)
De laagste temperatuur van een vloeistof, waarbij de damp daarvan met lucht een ontvlambaar mengsel
vormt.
Vloeistof (ADR)
Een stof die bij 50 °C een dampdruk heeft van ten hoogste 300 kPa (3 bar), en bij 20 °C en een druk van 101,3 kPa niet volledig gasvormig is, en die
a) bij een druk van 101,3 kPa een smeltpunt of beginsmeltpunt heeft van 20 °C of lager, of
b) die volgens de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 vloeibaar is, of
c) volgens de criteria van de in 2.3.4 van het ADR beschreven beproevingsmethode voor de bepaling van het vloeigedrag (penetrometermethode) niet dikvloeibaar is.
Vloeistofkerende vloer
En verharding die voor een kortere periode in staat is om de vrijgekomen vloeistoffen op te vangen en te voorkomen dat deze in de bodem terechtkomen. Onder 'kortere' is dan te verstaan de periode die ligt tussen het vrijkomen van de stoffen en het moment dat de opruimactiviteiten zijn afgerond.
Toelichting: Om te voorkomen dat vrijgekomen vloeistoffen in de bodem geraken moet de vloeistofkerende vloer in ieder geval bestaan uit een aaneengesloten verharding. Een dergelijke vloer hoeft niet van een verklaring vloeistofdichte voorziening te zijn voorzien.
WBDBO (Bouwbesluit)
Weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag in minuten volgens NEN 6068.
1. Sinds 1 juli 2003 is paragraaf 2a Explosieve atmosferen met daarin de artikelen 3.5a tot en met 3.5f in het Arbeidsomstandighedenbesluit van kracht. Hierdoor is de Europese richtlijn 1999/92/EG, betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (ook ATEX 137 genoemd), in de Nederlandse wetgeving opgenomen. Gevolg van de nieuwe artikelen is, dat ook bedrijven die gevaarlijke stoffen opslaan uiterlijk op 1 juli 2006 ten aanzien van de gevaren in verband met potentiële explosierisico’s een gestructureerd en goed onderbouwd beleid moeten voeren met bijbehorende maatregelen. Nieuwe opslagvoorzieningen dienen per 1 juli 2003 te voldoen aan de genoemde regelgeving.
2. De gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit kunnen voortvloeien, moeten in het kader van de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet, voor de aanvang van de arbeid en bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of het arbeidsproces, in hun geheel beoordeeld en schriftelijk vastgelegd worden in een explosieveiligheidsdocument.
3. Bij de beoordeling moet in ieder geval rekening gehouden worden met:
a.
De waarschijnlijkheid van het voorkomen en het voortduren van gevaarlijke explosieve atmosferen.
b.
De waarschijnlijkheid dat ontstekingsbronnen, elektrostatische ontladingen daaronder begrepen, aanwezig zijn, actief worden en daadwerkelijk ontsteken.
c.
De aanwezige installaties, de gebruikte stoffen, de processen en hun mogelijke wisselwerkingen.
d.
De omvang van de te verwachten gevolgen.
4. Bij de bepaling van de gevarenzones moet rekening worden gehouden met normale procesvoering, inclusief lekkages. Een lekkage van maximaal één vat (grootste vat) met het, uit oogpunt van explosiegevaar, meest risicovolle product is bepalend voor de zonering en zoneafmeting. Geen rekening hoeft te worden gehouden met calamiteiten zoals bijvoorbeeld het instorten van het dak waardoor meerdere vaten tegelijk kunnen bezwijken. Bij het bepalen van gevarenzones kan gebruik gemaakt worden van de Nederlandse praktijkrichtlijn (NPR) 7910-1 voor gasexplosie.
5. Arbeidsmiddelen en al het installatiemateriaal dat gebruikt wordt binnen de gevarenzones moeten geschikt zijn voor het gebruik in de desbetreffende gevarenzone conform het Warenwetbesluit explosieveilig materieel.
6. Vorkheftrucks en aanverwant materieel zijn ook arbeidsmiddelen. Vorkheftrucks die gebruikt worden in gezoneerde gebieden moeten in de gewenste explosieveilige uitvoering zijn uitgevoerd. Van deze vorkheftrucks moet een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage 10 van EG richtlijn 94/9/EG aanwezig zijn. Deze verklaring moet aantonen dat de fabrikant geen bezwaar heeft dat de vorkheftruck gebruikt wordt in de betreffende zones.
Vorkheftrucks die rijden op LPG kunnen niet explosieveilig worden uitgevoerd en worden derhalve niet in gezoneerde gebieden gebruikt. Dieseltrucks kunnen wel in de gewenste explosieveilige uitvoering worden uitgevoerd, echter zijn alleen geschikt voor gebruik in de buitenlucht. Elektrische vorkheftrucks kunnen in de gewenste explosieveilige uitvoering worden verkregen en zijn ook geschikt voor inpandig gebruik.
7. Er dienen organisatorische maatregelen te worden getroffen op plaatsen waar technische maatregelen alleen de bescherming tegen explosiegevaar op de arbeidsplaats niet kunnen waarborgen en handhaven. De getroffen organisatorische maatregelen ter bescherming tegen explosiegevaar moeten in het explosieveiligheidsdocument worden vastgelegd.
- instructie van de medewerkers over explosieveiligheid;
- voldoende kwalificatie van de werknemers;
- toepassing van een werkvergunningensysteem voor gevaarlijke werkzaamheden;
- het in stand houden van de technische maatregelen ter bescherming tegen explosiegevaar door inspectie, onderhoud en reparatie.
8. De plaatsen waar gevaarlijke explosieve atmosferen aanwezig kunnen zijn in een hoeveelheid die de veiligheid en de gezondheid van de werknemers in gevaar kan brengen, worden de toegangen tot deze plaatsen met het volgende waarschuwingsbord gemarkeerd:

Herkenningsteken:
- vorm: driehoekig,
- vormgeving: zwarte letters op een gele ondergrond met zwarte rand (de veiligheidskleur geel moet ten minste 50% van het oppervlak van het bord beslaan);
- wanneer niet de gehele ruimte, maar slechts een deel hiervan een explosiegevaarlijke plaats is, kan dit gebied door een geelzwarte arcering, bijvoorbeeld op de vloer, worden gemarkeerd; bij de markering moet het waarschuwingsbord zijn geplaatst.
Intrinsieke kenmerken:
- rond;
- zwart pictogram op witte achtergrond, rode rand en balk die van links naar rechts over het pictogram loopt onder een hoek van van 45° ten opzichte van de horizontale lijn. De rode kleur
beslaat ten minste 35% van het oppervlak van het bord.

Intrinsieke kenmerken:
- driehoekig;
- zwart pictogram op gele achtergrond, zwarte rand. De gele kleur beslaat ten minste 50% van het oppervlak van het bord.

1. Uitgangspunt scheiding van gevaarlijke stoffen
Indien bij het gelijktijdig vrijkomen van twee gevaarlijke stoffen uit de verpakking er een groter (vervolg) effect ontstaat dan op grond van de eigenschappen van de afzonderlijke stoffen verwacht kan worden, moeten deze stoffen gescheiden worden opgeslagen. Bij deze beoordeling moeten alle eigenschappen van een gevaarlijke stof worden beschouwd, dus ook de bijkomende gevarenlabels conform het ADR.
Het ontstaan van giftige verbrandingsgassen vormt geen onderdeel van dit uitgangspunt. De eigenschappen van een stof zijn immers niet bepalend voor de mate van toxiciteit van de verbrandingsproducten. Indien sprake is van zeer toxische stoffen (klasse 6.1 verpakkingsgroep I) of CMR-stoffen moet wel rekening worden gehouden met onverbrand product dat zich tezamen met de verbrandingsgassen zal verspreiden.
Enkele voorbeelden van het gelijktijdig vrijkomen van twee gevaarlijke stoffen.
a.
Een brandbare stof (klasse 3) zal indien deze vrijkomt en bij een brand betrokken raakt:
- wel een groter effect opleveren als in hetzelfde vak brandbevorderende stoffen (klasse 5.1/2) worden opgeslagen → gescheiden opslaan (omdat de onverbrande producten wel een groter effect geven);
- geen groter effect optreden als in hetzelfde vak brandbare stoffen (klasse 3) worden opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk;
-geen groter effect optreden als in hetzelfde vak natriumcarbonaat/soda (geen ADR stof) worden opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk.
b. Een bijtende stof (klasse 8, zuur) zal bij vrijkomen:
- wel een groter effect opleveren als in hetzelfde vak een bijtende stof (klasse 8, base) worden opgeslagen → gescheiden opslaan;
- geen groter effect optreden als in hetzelfde vak milieugevaarlijke stoffen (klasse 9) worden opgeslagen → geen gescheiden opslag noodzakelijk.
2. Categorieën gevaarlijke stoffen die gescheiden moeten worden opgeslagen
In onderstaande tabel is weergegeven welke combinaties zich kunnen voordoen, waarbij voor alle ADR-klassen voorbeelden zijn uitgewerkt. Van de tabel kan gemotiveerd worden afgeweken op basis van bijvoorbeeld veiligheidsinformatiebladen of indien de stoffen chemisch gezien wel kunnen reageren maar ten gevolge van de beperkte concentratie van de stoffen er geen reacties hoeven te worden verwacht met excessieve warmteontwikkeling of andere bijzondere gevaren. Bij de opslag van gewasbeschermingsmiddelen, waarbij veel verschillende producten met meerdere gevaarsetiketten per product in kleine verpakkingseenheden worden opgeslagen in een opslagvoorziening die is uitgevoerd op beschermingsniveau 1, is het niet zinvol om deze scheidingsregels te hanteren.
De tabel is niet van toepassing op:
- klasse 2 (zie hiervoor hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7);
- klasse 4 (zie hoofdstuk 8);
- klasse 5.2 (zie hoofdstuk 9).
| Gevaar conform de klasse zonder bijkomend gevaar | Klasse 3 | Klasse 5.1 | Klasse 6.1 + CMR | Klasse 8 | Klasse 9 | Overige Chemicalië n (Wms + ongevaarlijk ) |
| Klasse 3 (brandbare vloeistoffen) | - | V | B* of V | B | B | - |
| Klasse 5.1 (oxiderende stoffen) | V | - | B* | B | B | - |
| Klasse 6.1 (giftige stoffen) CMR-stoffen | B* of V | B* | - | B* | B* | -* |
| Klasse 8 (bijtende stoffen) | B | B | B* | B | B | - |
| Klasse 9 (alleen de milieugevaarlijke stoffen) | B | B | B* | B | - | - |
| Overige Chemicaliën (Wms + ongevaarlijk) | - | - | -* | - | - | - |
Toelichting:
V: Opslag van te scheiden stoffen in aparte vakken.
B: Gescheiden opslag tenzij is beoordeeld dat de stoffen niet met elkaar reageren of dat beide stoffen als vaste stof zijn ingedeeld. Voor de beoordeling (B) wordt in principe uitgegaan van de informatie zoals die in de Veiligheidsinformatiebladen (VIB, SDS of MSDS) wordt vermeld; voor generieke producten kan ook gebruik worden gemaakt van informatie zoals vermeld in het Chemiekaartenboek.
-: Gescheiden opslag niet noodzakelijk.
*: Stoffen van klasse 6.1 verpakkingsgroep I moeten in een apart brandcompartiment, of een apart deel van een brandcompartiment (aan drie zijden afgescheiden met een muur met een WBDBO van ten minste 30 minuten) of met een 5 meter vrije zone worden opgeslagen. In afwijking hier van is opslag in aparte vakken toegestaan indien deze stoffen niet hoger dan 1,80 m worden opgeslagen en indien het UN-goedgekeurde verpakking betreft (ADR schrijft voor deze verpakkingsgroep voor dat verpakkingen getest moeten zijn op een valhoogte van 1,80 m en dat de verpakking daarbij geen lekkage mag vertonen) en dat het vak waar deze stoffen zijn opgeslagen zodanig moet zijn gekenmerkt dat de medewerkers zich extra bewust zijn van de gevaren.
Voor de overige giftige stoffen is het gewenst om, waar mogelijk, vakscheiding aan te houden met stoffen van klasse 3.
3. Methoden om scheiding van gevaarlijke stoffen te realiseren
In bovenstaande tabel worden drie scheidingsniveaus genoemd.
Opslag van te scheiden stoffen in aparte vakken (V) zal in het algemeen alleen mogelijk zijn indien er sprake is van een opslagvoorziening voor meer dan 10 ton. Voor het begrip vak gelden de overeenkomstige voorschriften uit hoofdstuk 4 (maximaal 300 m², onderlinge afstand 3,5 m). Te scheiden stoffen mogen dus wel in dezelfde opslagvoorziening aanwezig zijn, maar moeten in aparte vakken worden opgeslagen. Indien geen vakken kunnen worden gerealiseerd (wat vaak het geval zal zijn bij opslagvoorzieningen kleiner dan 10 ton), moet opslag in een apart brandcompartiment plaatsvinden, m.a.w. een aparte opslagvoorziening.
Indien gescheiden opslag noodzakelijk is (B) kan dit worden gerealiseerd door de te scheiden stoffen op te slaan in aparte delen van een vak. Scheiding binnen een vak kan worden gerealiseerd door een vrije afstand van ten minste 2 meter of door een opslag een andere klasse gevaarlijke stoffen over een breedte van ten minste 2 m waarmee wel gezamenlijke opslag is toegestaan. Deze vorm van scheiding zal in het algemeen in opslagvoorzieningen voor meer dan 10 ton worden toegepast (zie ook voorschrift 4.3.1). Ook kan scheiding worden gerealiseerd door de te scheiden stoffen op te slaan in aparte lekbakken. Deze methode zal in het algemeen worden gerealiseerd in opslagvoorzieningen tot 10 ton.
Tenslotte kan scheiding worden gerealiseerd door de te scheiden stoffen op te slaan in aparte brandcompartimenten of door een stof op te slaan in een apart deel van een brandcompartiment dat aan 3 zijden is afgescheiden door een muur met een WBDBO van ten minste 30 minuten. Het betreft hier de met een asterisk aangeduide situaties in bovenstaande tabel.
Opmerking: Indien de beoordeling van stoffenscheiding tot onoverkomelijke problemen leidt, kan ook gekozen worden voor het systeem om producten met verschillende gevaarseigenschappen (etiketten) in aparte opslagvoorzieningen op te slaan. Deze systematiek is echter niet mogelijk voor bijtende stoffen met etiket nr 8 wegens het feit dat die zowel zuur als basisch kunnen reageren; voor deze groep stoffen dient altijd beoordeeld te worden of ze onderling niet aan de criteria zoals vermeld in paragraaf 3.12 voldoen.
| Overeenkomstig | NEN 2678 | NEN-EN-14470-1 Type 30 | NEN-EN-14470-1 Type 60 | NEN-EN-14470-1 Type 90 |
| Brandwerendheid | (veiligheidsperiode 40 min.) | 30 min. | 60 min. | 90 min. |
| Max. hoeveelheid (L) | 150 | 150 | 250 | 250 |
| Toegestaan voor de opslag van gevaarlijke stoffen behorende tot de ADR klassen: | 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8 , 9 en CMR-stoffen klasse 5.2 conform CPR 3 | 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en CMR-stoffen klasse 5.2 conform CPR 3 | 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en CMR-stoffen klasse 5.2 conform CPR 3 | 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9 en CMR-stoffen klasse 5.2 conform CPR 3 |
| Opstelling | Maximaal 1 per 50 m2 (Alleen voor (licht) ontvlambare vloeistoffen (klasse 3)) Maximaal 2 per ruimte of brandcompartiment Niet in kelder, trappenhuis, souterrain of gang | Maximaal 1 per 50 m2 Maximaal 2 per ruimte of brandcompartiment Niet in kelder, trappenhuis, souterrain of gang | Maximaal 5 per 200 m2 Geen limiet in een 60 minuten brandcompartiment | Geen limiet |
| Opstelling op een verdieping | Max. 1 per 200 m2 vloeroppervlakte van een werkruimte of per brandcompartiment | Max. 1 per 200 m2 vloeroppervlakte van een werkruimte of per brandcompartiment. | Max. 2 per 200 m2 vloeroppervlakte van een werkruimte of per brandcompartiment. | Max. 4 per 200 m2 vloeroppervlakte van een werkruimte of per brandcompartiment. |
| Opvangcapaciteit | Tenminste 100% van de inhoud, indien het (licht) ontvlambare vloeistoffen betreft. In de overige gevallen tenminste de inhoud van de grootste verpakking vermeerderd met 10% van de inhoud van de overige verpakking. | Tenminste 110% van de inhoud van de grootste emballage, doch (als dat méér is) ten minste 10% van de inhoud van de totale emballage (geldt alleen voor vloeistoffen) | Tenminste 110% van de inhoud van de grootste emballage, doch (als dat méér is) ten minste 10% van de inhoud van de totale emballage (geldt alleen voor vloeistoffen) | Tenminste 110% van de inhoud van de grootste emballage, doch (als dat méér is) ten minste 10% van de inhoud van de totale emballage (geldt alleen voor vloeistoffen) |
| Compartimentering | Kan plaats vinden door het plaatsen van de verschillende categorieën stoffen in afzonderlijke lekbakken. Voor iedere te compartimenteren categorie moet er een lekbak aanwezig zijn. | Kan plaats vinden door het plaatsen van de verschillende categorieën stoffen in afzonderlijke lekbakken. Voor iedere te compartimenteren categorie moet er een lekbak aanwezig zijn. | Kan plaats vinden door het plaatsen van de verschillende categorieën stoffen in afzonderlijke lekbakken. Voor iedere te compartimenteren categorie moet er een lekbak aanwezig zijn. | Kan plaats vinden door het plaatsen van de verschillende categorieën stoffen in afzonderlijke lekbakken. Voor iedere te compartimenteren categorie moet er een lekbak aanwezig zijn. |
Algemeen
In deze bijlage zijn de brandbeveiligingsinstallaties beschreven die momenteel als stand der techniek worden beschouwd voor opslagvoorzieningen voor verpakte gevaarlijke stoffen. In de inleiding zijn de van belang zijnde kenmerken en parameters toegelicht. Niet elk brandbeveiligingssysteem is geschikt voor alle categorieën gevaarlijke stoffen. Beperkingen in de toepassing zijn in de ontwerpnorm vastgelegd. De brandblussende of brandbeheersende prestaties van dergelijke brandbeveiligingsinstallaties zijn aan de hand van genormaliseerde testmethodieken (bijvoorbeeld de CEN/ISO/UL-brandproeven) vastgesteld door een daartoe geaccrediteerde certificatie-instelling. Voor brandbeveiligingssystemen zijn dit vooralsnog VdSZ, LPCB, FM, UL. In principe kunnen nieuwe blussystemen of blustechnieken worden geaccepteerd voor toepassing in een opslagvoorziening voor verpakte gevaarlijke stoffen, indien aan navolgende voorwaarden is voldaan:
a.Er moet voor de vaststelling van de blussende werking op specifieke stoffen een genormaliseerde testmethodiek vastgelegd zijn, en de test moet door een daartoe geaccrediteerde instelling zijn uitgevoerd.
b.Er moet voor het systeem een (internationaal) geaccepteerde ontwerpnorm voor de beoogde blustechniek bestaan. Dit kunnen voorschriften zijn van bijvoorbeeld ISO, CEN, NFPA, FM Global, LPCB/ BRE, VdS of CEA.
c.Berekenings- en ontwerpfactoren moeten door middel van expliciete testen vastgelegd zijn.
d.Van voornoemde testen moeten rapportages beschikbaar zijn.
Het systeem “droog blussysteem met lokale brandweer” is in deze bijlage niet meer behandeld. In het algemeen kan worden gesteld dat met name vanwege de vereiste aanrijtijden voor de brandweer niet meer zonder meer kan worden voldaan aan de randvoorwaarden die voor een dergelijk systeem zouden moeten gelden. In voorkomende gevallen is het van belang dat bevoegd gezag, bedrijf en lokale brandweer in gezamenlijk overleg nagaan of er bijzondere omstandigheden zijn waarmee snelle aanrijtijden gegarandeerd kunnen worden.
Bluswateropvangcapaciteit
Bij de berekening van de bluswateropvangcapaciteit wordt onderscheid gemaakt tussen de nominale bluswateropvangcapaciteit en de werkelijke bluswateropvangcapaciteit. De nominale bluswateropvangcapaciteit is de capaciteit, die op grond van het brandbeveiligingsinstallatie, het blusmiddel en de eventuele vakindeling wordt berekend. De werkelijke bluswateropvangcapaciteit is de vereiste fractie van de nominale bluswateropvangcapaciteit, die afhankelijk is van het beschermingsniveau en de aard van de opgeslagen stoffen en de verpakking. Het type brandbeveiligingsinstallatie bepaalt hoeveel bluswater opgevangen moet worden. De capaciteit moet worden berekend aan de hand van de bij de brandbestrijdingssystemen vermelde parameters, waarbij bij de meeste systemen wordt uitgegaan van een vanuit de PGS 15 opgelegde fictieve blustijd of ruimtevulling, die af kan wijken van de blustijd op basis van de gehanteerde ontwerpnorm van het brandbeveiligingsinstallatie.
Vakindeling en veiligheidsfactoren
Afhankelijk van de wijze waarop vakindeling is uitgevoerd moet voor het oppervlak waarop debluswateropvangcapaciteit wordt gedimensioneerd, een veiligheidsfactor worden gehanteerd. De redenen hiervoor zijn dat brandoverslag naar een ander vak niet is uit te sluiten en een blussysteem in een ander vak onnodig in werking kan treden.
De veiligheidsfactoren zijn:
vak aan vier zijden omgeven door wanden en deur: factor 1;
vak aan drie zijden omgeven door wanden en aan één zijde een gangpad: factor 2;
vak aan twee of meer zijden omgeven door gangpaden: factor 3.
De grondslag van de berekening van de nominale bluswateropvangcapaciteit is het vermenigvuldigen van de blustijd met de sproeidichtheid en het te blussen oppervlak. Afhankelijk van de wijze waaropde vakindeling is gerealiseerd, moet voor het te blussen oppervlak een veiligheidsfactor in rekening worden gebracht.
In formule:Bn= bt * s * ob * v
Bn = nominale bluswateropvangcapaciteit.
bt = blustijd [min] volgens PGS 15
s = sproeidichtheid of doseersnelheid [l/min/m2] volgens de ontwerpnorm
ob = blusoppervlak [m2]
v = veiligheidsfactor indien toepasbaar, afhankelijk van compartimentering
De formule voor de berekening van de werkelijke bluswateropvangcapaciteit is
Bw= fi * Bn
Bw = werkelijke bluswateropvangcapaciteit
fi = factor afhankelijk van beschermingsniveau en aard van de stof (zie paragraaf 4.6).
Bn = nominale bluswateropvangcapaciteit.
Opmerking:
- Voor blusgas, hi-ex installaties en voor het systeem ‘Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval)’ geldt een afwijkende bepaling van de bluswateropvangcapaciteit (zie onder kenmerken van deze systemen);
- Het product ‘ob * v’ bedraagt ten hoogste het maximum sproeivlak van de brandbeveiligingsinstallatie. Het is namelijk niet reëel rekening te houden met een brand groter dan het maximum sproeivlak (dit zou betekenen dat er een verkeerde brandbeveiligingsinstallatie is aangelegd) én boven het maximum sproeivlak is ook de parameter ‘s’ onbepaald.
Detectie en doormelding
Onafhankelijk van de gekozen brandbeveiligingsinstallatie is een doelmatig detectiesysteem alsmede een automatische doormelding naar de alarmcentrale van de overheids- of bedrijfsbrandweer of een daaraan gelijkwaardige voorziening (zie ook voorschrift 3.2.1.3). Hierbij wordt opgemerkt dat een doormeldinstallatie, behorende bij een automatische sprinklerinstallatie, wordt beschouwd als doelmatig detectiesysteem.
Een doelmatig detectiesysteem dient een op het object afgestemd ontwerp te hebben, daarbij gebruik makend van de specifieke kenmerken van de toe te passen detectietechniek en de te detecteren brandverschijnselen in de geprojecteerde omgeving.
Blustijd
De blustijden die als parameter bij de verschillende systemen zijn genoemd, geven geen indicatie over de werkelijk te verwachten duur van een brand dan wel de effectiviteit van de brandbestrijding. De vermelde blustijden zijn fictief en dienen uitsluitend om de gewenste bluswateropvangcapaciteit te dimensioneren. Een automatisch werkende brandbeveiligingsinstallatie moet na inwerkingtreding na een bepaalde tijd handmatig worden afgesloten. In de regel zal dit tijdstip worden bepaald door de lokale brandweer. De brandweer moet zich in de ontwerpfase reeds verdiepen in de wijze hoe geconstateerd kan worden of de automatisch blusinstallatie uitgezet mag worden. Met andere woorden of de brand geblust is. Dit kan bijvoorbeeld bij een hi-ex installatie een inspectieluik zijn in het dak van de opslagvoorziening. In verband met aanrijtijd en beoordelingstijd is het noodzakelijk, er rekening mee te houden dat alvorens het brandbeveiligingsinstallatie kan worden uitgezet een termijn van 30 minuten kan verstrijken. De meeste brandbestrijdingssystemen (zoals bijv. sprinkler- en delugesystemen) moeten op basis van de ontwerpnorm al langer dan 30 minuten continu automatisch kunnen functioneren, zodat hieraan vanzelf wordt voldaan. Bij andere systemen (zoals bijvoorbeeld de Hi-Ex systemen) wordt vanuit de ontwerpnorm toegestaan automatisch intermitterend te functioneren gedurende meer dan 30 minuten, zodat op deze wijze ook invulling wordt gegeven aan het 30 minuten criterium. Hi-Ex installaties vragen om een standtijd van 60 minuten, te realiseren middels bijvoorbeeld intermitterend schuimen.
Rook en warmte afvoerinstallatie
Een rook- en warmteafvoer installatie is een samenstel van apparatuur, dat ertoe dient om in geval van brand vanaf een bepaald tijdstip de afvoer van rook en hete verbrandingsgassen in een bepaalde (aangenomen) hoeveelheid door rook- en warmteafvoer luiken in het dak zeker te stellen.
Bij bepaalde brandbestrijdingssystemen heeft dit een positieve invloed op de effectiviteit van de brandbestrijding hetgeen leidt tot een geringere blustijd. Voor bepaalde brandbestrijdingssystemen is de aanwezigheid van een rook- en warmteafvoerinstallatie zelfs noodzakelijk. Voorwaarde is dat eerst de brandbeveiligingsinstallatie aanspreekt alvorens de rookluiken worden geopend. Er zijn echter ook brandbeveiligingsinstallaties waarbij het gebruik van een rook- en warmteafvoerinstallatie niet is toegestaan.
Buitenopslag
Indien er sprake is van een buitenopslag zonder overkapping, is als detectiesysteem uitsluitend een detectiesysteem op basis van vlammenmelders nog toepasbaar. Hiermee wordt systeem 8 (bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen) uitvoerbaar. Als automatische brandbeveiligingsinstallatie kan daar een deluge systeem aan worden toegevoegd, al zal dit betekenen dat een aanzienlijke hulpconstructie temidden van de buitenopslag noodzakelijk is, om het deluge systeem te kunnen monteren. Hiermee worden de automatische deluge installatie, automatische monitor installatie en bedrijfsbrandweer met handbediende deluge installatie in principe uitvoerbaar.
Indien er sprake is van een buitenopslag met overkapping, zijn (uiteraard) bovengenoemde systemen eveneens mogelijk. Door de overkapping wordt het ook mogelijk detectie systemen op basis van temperatuurmeting toe te passen. Als brandbeveiligingsinstallatie is het ook mogelijk een automatische sprinklerinstallatie toe te passen. Dit systeem wordt dan als droog of pre-action systeem uitgevoerd, waardoor het leidingnet pas met water (of water/schuim mengsel) wordt gevuld als er daadwerkelijk brand wordt gedetecteerd. Kleine sprinklersystemen mogen ook als antivriessysteem worden uitgevoerd. Bij het (eventueel) toepassen van schuimvormend middel moet extra aandacht worden besteed aan de opslag, dan wel aan voldoende voorraad op mobiele apparatuur. Schuimvormende vloeistof is afhankelijk van type vorstbestendig (meestal tot -15 ºC). Vorstvrije opslag niet per se noodzakelijk, wel moet aandacht zijn besteed aan watervoerende delen.
Geschiktheid brandbeveiligingsinstallatie voor verschillende categorieën gevaarlijke stoffen
Elke brandbeveiligingsinstallatie moet zodanig worden ontworpen dat een brand van de betreffende opgeslagen gevaarlijke stoffen adequaat kan worden bestreden. Dit vereist speciale aandacht voor het type goederen dat wordt opgeslagen. Geen van de brandbeveiligingsinstallaties is geschikt voor alle categorieën gevaarlijke stoffen. De effectiviteit van brandbestrijding verschilt per systeem en is daarenboven afhankelijk van de soort opgeslagen gevaarlijke stoffen. Elke ontwerpnorm, behorend bij een bepaalde brandbeveiligingsinstallatie, geeft inzicht en eisen met betrekking tot de opgeslagen goederen en de wijze van opslag. De meeste ontwerpnormen maken hiertoe gebruik van een eigen goederenclassificatie. Het is dus van belang de opgeslagen goederen, die doorgaans ADR of Wms zijn geclassificeerd, te classificeren op basis van de goederenclassificatie van de betreffende ontwerpnorm. Uitsluitend op deze wijze kunnen de ontwerpspecificaties van een brandbeveiligingsinstallatie goed worden vastgesteld. Het is evenzeer van belang deze vertaalslag eenduidig en traceerbaar vast te leggen in het PvE of BdB (“de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten”).
Soms is het reëler vast te leggen welke stoffen bij een bepaald brandbeveiligingsinstallatie niet mogen worden opgeslagen. Ook hier geldt dat de ontwerpnorm in nagenoeg alle gevallen daar stringente regels voor bevat en ook dit aspect moet in het PvE of BDB eenduidig en traceerbaar worden vastgelegd. Het verdient aanbeveling om dit ook in de vergunning als voorschrift op te nemen. Door deze materie in het PvE of BDB vast te leggen en door middel van inspecties de brandbeveiligingsinstallatie en de daarbij behorende opslag van goederen periodiek te toetsen aan dit document, wordt de kwaliteit van de totale brandbeveiliging gewaarborgd.
2.Overzicht toepasbare brandbestrijdingssystemen bij beschermingsniveau 1
Bij de keuze van een brandbeveiligingsinstallatie zijn een groot aantal aspecten van belang zoals de aard van de stoffen die zullen worden opgeslagen, de afmetingen van de opslagvoorziening, de wijze van opslag en de opslaghoogte, de locatie van het gebouw, mogelijkheden voor bluswateropvang, benodigde bouwkundige voorzieningen, bestaande voorzieningen, investeringskosten. In het overzicht in deze bijlage wordt een aantal kenmerken van brandbestrijdingssystemen gepresenteerd.
1.Automatische sprinklerinstallatie (gesloten sprinklers)
Principe:
Een wijd vertakt met water gevuld en onder druk staand leidingnet is voorzien van sproeikoppen (sprinklers). Elke sprinkler wordt gesloten gehouden door een warmtegevoelig element. Indien dit element te warm wordt, zal het bezwijken, waarna water uit de sprinkler zal stromen.
Beperkingen in toepassing:
- het systeem is sterk afhankelijk van soort goederen en type opslag;
- er zijn opslagconfiguraties denkbaar ( naar de huidige inzichten) die niet met sprinklers zijn te blussen (bijv. de combinatie van grote kunststof verpakking en (licht)ontvlambare vloeistoffen);
- de ontwikkeling in sprinklerbeveiliging wordt bepaald door grootschalige testen. Dit kan in de toekomst leiden tot beperkingen en uitbreidingen van het toepassingsgebied van sprinklerinstallaties.
Kenmerken:
- te allen tijde temperatuurdetectie; als blusmiddel kan water of water met schuimtoevoeging (middel of zwaar) worden toegepast;
- maximum oppervlakte van de opslagvoorziening is 2.500 m2;
- het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen ten aanzien van de WBDBO vanuit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte;
- bij inwerkingtreding van de sprinklerinstallatie wordt alleen de oppervlakte onder de door de brand geactiveerde sprinklers besproeid;
- een automatische rook- en warmteafvoerinstallatie mag niet worden toegepast;
- indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht, geldt een maximum oppervlakte van de opslagvoorziening van 800 m².
- de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale sproeidichtheid en het maximum sproeivlak, inclusief de nominale capaciteit van eventuele stellingsprinklers volgens de ontwerpnorm;
- de bluswateropvangcapaciteit kan worden gereduceerd door vakindeling; afhankelijk van de wijze van vakindeling moet een veiligheidsfactor worden gehanteerd;
- zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;
- de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;
- met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.
2. Automatische deluge-installatie
Principe
Een wijd vertakt leidingnet is voorzien van open sproeikoppen (sproeiers). Het leidingnet wordt voorzien van water op basis van een brandalarm van een automatische brandmeldinstallatie, waarna water uit alle sproeiers tegelijk zal stromen. De installatie kan ook van sectieafsluiters worden voorzien.
Kenmerken:
- alle detectiemethoden zijn toepasbaar, mits aan de norm wordt voldaan;
- als blusmiddel kan water of schuim (zwaar of AFFF) worden toegepast;
- maximum oppervlakte van de opslagvoorziening is 2.500 m2;
- het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen ten aanzien van de WBDBO vanuit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte;
- bij inwerkingtreding van de installatie wordt een gehele sectie (aantal en grootte afhankelijk van ontwerp) besproeid, het sproeioppervlak wordt door de grootte van de sectie (vak) bepaald;
- indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht, geldt een maximum oppervlakte van de opslagvoorziening van 800 m² en dient de bluswateropvangcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak van de opslagvoorziening.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
- de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale sproeidichtheid en het sproeivlak van de sectie(s);
- indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden van andere secties, behoeft geen veiligheidsfactor te worden gehanteerd;
- zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;
- de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;
- met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.
3. Automatische blusgasinstallatie
Principe:
Een ruimte wordt gevuld met blusgas op basis van een brandalarm van een automatische brandmeldinstallatie, waardoor de brand dooft door zuurstofverdringing of chemische beïnvloeding van de brandreactie en/of koeling, afhankelijk van het toegepaste blusgas.
Beperkingen in toepassing:
− de opslagvoorziening moet voldoende gasdicht zijn;
− opgeslagen stoffen dicteren de blusgasconcentratie.
Kenmerken:
- snelle detectie methode toepassen;
- als blusmiddel mogen alle blusgassen worden toegepast;
- toepasbaar in ruimten met een oppervlak van ten hoogste 2.500 m2;
- de WBDBO van deuren, wanden en plafonds vanuit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte moet overeenkomen met de WBDBO die in de ontwerpnorm of het PvE/BDB is vastgelegd, maar ten minste 30 minuten bedragen;
- een rook- en warmteafvoerinstallatie mag niet worden toegepast.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
bij een blusgassysteem hoort geen bluswateropvang, tenzij het scenario voorziet in nablussing met water, dan gelden de volgende parameters:
- de benodigde bluswateropvangcapaciteit wordt uitsluitend bepaald door de nablustijd (nabluscapaciteit is 800 l/ minuut) gedurende 60 minuten;
- vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswateropvangcapaciteit;
- in verband met eventuele kernbranden en daarop mogelijk volgende herontsteking moet rekening worden gehouden met een nablustijd van ten minste 20 minuten. De standtijd moet ten minste 30 minuten bedragen in verband met de aanrijtijd van de brandweer.
4.(Semi-) Automatische monitor installatie
Principe:
Vast opgestelde water / schuim kanonnen rondom een in de buitenlucht gesitueerdeopslagvoorziening (vatenpark en dergelijke), die in een automatisch heen en weer gaande beweging de opslagvoorziening besproeien met als doel de brand te controleren of te blussen.
Beperkingen in toepassing:
-opgeslagen stoffen moeten met water of schuim geblust kunnen worden;
- uitsluitend toepasbaar bij een in de buitenlucht gesitueerde opslagvoorziening, waarbij als criterium voor buitenopslag geldt dat de opslagvoorziening rondom aangesproeid moet kunnen worden;
- personeel moet getraind zijn in het gebruik van de installatie.
Kenmerken:
- als detectiemethoden zijn alleen warmtebeeld camera’s of UV/IR melders toepasbaar in combinatie met een 24/7 bemande controlekamer of volledig geautomatiseerd;
- als blusmiddel kan water of zwaar schuim worden toegepast;
- maximum oppervlakte van de opslagvoorziening is 2.500 m2, sproeipatroon van alle kanonnen samen bedekt de gehele opslagvoorziening;
- watertoevoer wordt automatisch of handmatig op afstand aangestuurd. Watertoevoer moet voldoende capaciteit hebben om minimaal twee kanonnen gelijktijdig in werking te hebben;
- de kanonnen sproeien in een automatisch heen en weer gaande beweging van de kanonnen volgens een vast patroon;
- het systeem verlangt geen bijzondere bouwkundige voorzieningen, afstand tot belendingen te bepalen met een warmtestralingberekening;
- bij inwerkingtreding van de installatie wordt een sectie (omvang afhankelijk van ontwerp, doch nooit kleiner dan een vak ) besproeid, het sproeioppervlak is gelijk aan de grootte van de sectie;
- indien stoffen van de klasse 3 worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht, geldt een maximum oppervlakte van 800 m² en dient de bluswateropvangcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak van de opslagvoorziening.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
- de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale sproeidichtheid en het sproeivlak van een sectie(s);
- indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden van andere secties, behoeft geen veiligheidsfactor te worden gehanteerd;
- zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;
- de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op 60 minuten;
- met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.
5. Automatische hi-ex outside-air installatie:
Principe:
Na activering door een automatische brandmeldinstallatie wordt een opslagvoorziening volgeschuimd. De benodigde lucht om schuim te vormen wordt van buitenaf aangezogen. Omverstikking te bewerkstelligen moet de brand door het schuim ingekapseld kunnen worden.
Beperkingen in toepassing:
-niet alle stoffen kunnen worden opgeslagen (zie norm);
-ruimte moet voldoende dicht zijn.
Kenmerken:
- snelle detectie methode toepassen;
- als blusmiddel wordt licht schuim toegepast, expansievoud 500 tot 1.000;
- maximum oppervlakte van opslagvoorziening is 2.500 m2;
- de WBDBO van deuren, wanden en plafonds vanuit de opslagruimte naar de omliggende ruimten en de buitenruimte moet ten minste 30 minuten bedragen;
- bij inwerkingtreding van de installatie wordt een gehele ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm binnen de vereiste tijd (vastgesteld in de NFPA 11) tot het vereiste niveau volgeschuimd;
- de toepassing van een luchtafvoerinstallatie (bijvoorbeeld dakluiken) is noodzakelijk;
- outside-air-schuimgeneratoren, waarbij de lucht die gebruikt wordt om het schuim te maken, van buiten het gebouw wordt aangezogen.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
- de doseersnelheid van het water/schuimmengsel moet worden bepaald aan de hand van de totale inhoud van de opslagvoorziening en het verschuimingsgetal van de betreffende schuimsoort waarbij als uitgangspunt het vereiste schuimniveau in de ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm wordt gehanteerd;
- de bluswateropvangcapaciteit bedraagt 3 (ruimte)vullingen (volume berekend vanuit de afmetingen van de opslagvoorziening)
- vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswateropvangcapaciteit.
6. Automatische hi-ex inside-air installatie
Principe:
Na activering door een automatische brandmeldinstallatie wordt een opslagvoorziening volgeschuimd. De benodigde lucht om schuim te vormen wordt van binnen aangezogen. Om verstikking te bewerkstelligen moet de brand door het schuim ingekapseld kunnen worden.
Beperkingen in toepassing:
-niet alle goederen kunnen worden opgeslagen;
-de opslagvoorziening moet voldoende dicht zijn;
-afhankelijk van de gepleegde opslag kan het systeem gevoelig zijn voor verbrandingsproducten en rook;
-de NFPA 11 met bijbehorend memorandum 61 gaat uitvoerig op de beperkingen in.
Testen van de kwaliteit van het schuimvormend middel
Aangetoond moet worden dat het toegepaste schuim kan worden gevormd onder zware condities. De testmethodiek is vastgelegd in brief IBP 31195002 van 31.1.1995 (Ministerie VROM). De testopzet voor deze grootschalige test moet tenminste worden voorgelegd aan onderzoeksinstituten zoals het RIVM (Centrum Externe Veiligheid en Vuurwerk) of het NIBRA. Tevens dient de uitvoering van de test in overleg met deze instanties plaats te hebben gevonden.
Kenmerken:
- snelle detectie methode toepassen;
- als blusmiddel wordt een goedgekeurd schuimconcentraat toegepast, expansievoud volgens NFPA 11, dat zuurbestendig is en kan worden gevormd met zeer agressieve verbrandingsgassen;
- maximum oppervlakte van opslagvoorziening is 2.500 m2;
- de WBDBO van deuren, wanden en plafonds van de opslagruimte naar de omliggende ruimten en de buitenruimte moet ten minste 30 minuten bedragen;
- bij inwerkingtreding van de installatie wordt een gehele ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm binnen de vereiste tijd tot het vereiste niveau volgeschuimd;
- de toepassing van een rook- en warmteafvoerinstallatie is niet toegestaan;
- schuimgeneratoren moeten zijn opgesteld in de te beveiligen ruimte.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
- de doseersnelheid van het water/schuimmengsel moet worden bepaald aan de hand van de totale inhoud van de opslagvoorziening en het verschuimingsgetal
- van de betreffende schuimsoort waarbij als uitgangspunt het vereiste schuimniveau in de ruimte overeenkomstig de ontwerpnorm wordt gehanteerd;
- de bluswateropvangcapaciteit bedraagt 3 (ruimte)vullingen (volume berekend vanuit de afmetingen van de opslagvoorziening);
- vakindeling geeft geen reductie op de benodigde bluswateropvangcapaciteit.
7. Bedrijfsbrandweer met handbediende deluge-installatie
Principe:
Een wijd vertakt leidingnet is voorzien van open sproeikoppen (sproeiers). Het leidingnet wordt door de bedrijfsbrandweer voorzien van water, nadat de bedrijfsbrandweer is gealarmeerd op basis van een brandalarm van een automatische brandmeldinstallatie. Na aansluiting door de bedrijfsbrandweer zal er water uit alle sproeiers tegelijk stromen. De installatie kan ook van sectie afsluiters worden voorzien.
Beperkingen in toepassing:
- toepassing om grote opslag (tanks) te koelen tegen brand van buitenaf;
- door afhankelijkheid van brandweer is deze uitvoering van een deluge installatie traag en daarom niet geschikt voor opslag van brandbare vloeistoffen.
Kenmerken:
- alle detectie methoden zijn toepasbaar, mits aan de norm wordt voldaan;
- als blusmiddel kan water of schuim (middel of zwaar) worden toegepast;
- maximum oppervlakte van opslagvoorziening is 2.500 m²;
- de WBDBO van deuren, wanden en plafonds vanuit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte moet 30 minuten bedragen;
- bij inwerking treden van de installatie wordt een gehele sectie (aantal en grootte afhankelijk van ontwerp) besproeid, het sproeioppervlak wordt door de grootte van de sectie (vak) bepaald;
- zowel een bedrijfsbrandweer categorie 1 als een bedrijfsbrandweer categorie 2 kan worden toegepast;
- indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht, geldt een maximum oppervlakte van de opslagvoorziening van 600 m², en dient de bluswateropvangcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak van de opslagvoorziening.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
- de bluswateropvangcapaciteit moet worden gedimensioneerd op de nominale minimale sproeidichtheid en het sproeivlak van de sectie(s);
- indien een sectie volledig bouwkundig is gescheiden van andere secties, behoeft geen veiligheidsfactor te worden gehanteerd;
- zowel voor water als voor schuim geldt een sproeidichtheid zoals vereist in de ontwerpnorm;
- de bluswateropvangcapaciteit worden gedimensioneerd op 40 minuten; de toepassing van een rook- en warmteafvoerinstallatie geeft een reductie van minuten op de blustijd;
- met eventuele nablustijd behoeft geen rekening te worden gehouden.
8. Bedrijfsbrandweer met ter plaatse blussen (binnenaanval)
Principe:
Bedrijfsbrandweer blust zelf, daartoe gealarmeerd door en automatische brandmeldinstallatie.
Beperkingen in toepassing:
− bestrijding afhankelijk van menselijke inzet. De ruimte moet dus wel bij brand benaderd en betreden kunnen worden, wat beperkingen met betrekking tot aard en omvang van de opslag met zich mee kan brengen.
Kenmerken:
- een snelle detectie methode moet worden toegepast (geen temperatuurdetectie);
- als blusmiddel kan water of schuim (middel of zwaar) worden toegepast;
- maximum oppervlakte van opslagvoorziening is 1.500 m2;
- de opslagvoorziening moet zijn verdeeld in vakken van ten hoogste 300 m2;
- de WBDBO van deuren, wanden en plafonds vanuit de opslagvoorziening naar de omliggende ruimten en de buitenruimte moet 60 minuten bedragen; voor een bestaande opslagvoorziening is 30 minuten voldoende;
- de toepassing van een rook- en warmte-afvoerinstallatie is noodzakelijk;
- dit systeem is uitsluitend aanvaardbaar indien een bedrijfsbrandweer categorie 1 op het bedrijf aanwezig is;
- indien brandbare vloeistoffen worden opgeslagen en geen geschikte vakindeling is aangebracht, geldt een maximum oppervlakte van de opslagvoorziening van 300 m2, en dient de bluswateropvangcapaciteit te worden gedimensioneerd op het totale oppervlak van de opslagvoorziening.
Parameters voor het vaststellen van de bluswateropvangcapaciteit:
- de bluswateropvangcapaciteit in een opslagruimte die kleiner is dan 500 m2 moet ten minste 100 m3 bedragen; indien de opslagruimte groter is dan 500 m2 moet 10 m3 per 100 m2 vloeroppervlak extra bluswateropvangcapaciteit aanwezig zijn;
- Toepassing van snellere detectiemethoden geeft 10% reductie op de bluswateropvangcapaciteit.
Overzicht ontwerpnormen brandbestrijdingsinstallatiesDe onderstaande tabel geldt als illustratie en dient indicatief te worden gehanteerd. Te allen tijde geldt dat normen van onder meer CEN, NEN, ISO, CENELEC en algemeen erkende voorschriften uitgegeven door instituten als NFPA, VdS, LPCB, DIN, CEA en FM kunnen worden gehanteerd. In de door het bevoegd gezag goed te keuren uitgangspunten voor de brandbeveiliging (BDB of PvE) dient te worden vastgelegd welke ontwerpnormen van toepassing zijn.
| CEN | Comité Européen de Normalisation |
|---|---|
| NEN | Nederlandse Norm |
| ISO | International Standard Organisation |
| CENELEC | Comité Européen de Normalisation Electrotechnique |
| NFPA | National Fire Protection Association |
| VdS | Vertrauen durch Sicherheit (v.m. Verband der Schadenversicherer) |
| LPCB | Loss Prevention Certification Board |
| DIN | Deutsche Industrie Norm |
| CEA | Comité Européen des Assurances |
| FM | Factory Mutual |
| BDB | Basis Document Brandbeveiliging |
| PvE | Programma van Eisen |
KLIK HIER OM DE TABEL TE OPENEN!
Noot:
- Schuimvormend middel moet aantoonbaar geschikt zijn voor het betrokken risico.
- Van de toe te passen normen dient de meest recente uitgave te worden toegepast.
- Waar van toepassing wordt in de meeste ontwerpnormen verwezen naar productnormen en onderhoudsnormen.
- Voor hoge opslag van goederen in emballage en toepassing van een deluge systeem dient naast NFPA 15 en/of 16 de NFPA 13 en/of 30 te worden toegepast.

