De richtlijn PGS 15, opslag verpakte gevaarlijke stoffen

In onze steeds gecompliceerder wordende samenleving wordt toenemend gebruik gemaakt van stoffen die bij ongewenste gebeurtenissen, zoals brand, gevaar kunnen opleveren voor uw bedrijf, personeel en directe omgeving. Het gevaar van dergelijke stoffen wordt bepaald door de fysische/chemische eigenschappen, de hoeveelheid en de wijze waarop deze worden opgeslagen.

De opslag van gevaarlijke stoffen dient te geschieden volgens de voorschriften zoals vervat in de PGS 15, de richtlijn voor de uitvoering en inrichting van opslagruimten voor de in- en uitpandige opslag van gevaarlijke stoffen in emballage, vastgesteld per 28 juni 2005 inclusief erratablad van 5 juli 2005. De PGS 15 richtlijn vervangt de CPR richtlijnen en is van toepassing op bedrijven die  krachtens de Wet Milieubeheer, en gerekend vanaf de vaststellingsdatum, een milieuvergunning moeten aanvragen.

Het doel van deze richtlijn is een opslagvoorziening zodanig uit te voeren, te plaatsen en in te richten, dat de daarin opgeslagen gevaarlijke stoffen geen positieve bijdrage aan een brand kunnen leveren c.q. het restrisico verbonden aan de opslag tot het mini-male wordt beperkt.

Onder een positieve bijdrage wordt onder andere verstaan: een brand positief beïnvloeden door mee te gaan branden, ontwikkelen van gevaarlijke dampen/gassen en de vorming van gevaarlijke ontledingsprodukten. Om het risico tot een minimum te beperken, dient een inpandige opslagplaats een zekere mate van Weerstand tegen BrandDoorslag en BrandOverslag (WBDBO) te bezitten dan wel voor een bepaalde tijdsduur brandwerend te zijn uitgevoerd.

Uitpandige opslagvoorzieningen dienen dusdanig ver van tot de inrichting behorende gebouwen, erfgrenzen, brandgevaarlijke materialen en activiteiten te worden geplaatst, dat een brand de opslagplaats niet kan bereiken. Wanneer er onvoldoende veiligheidsafstanden aangehouden kunnen worden, moet ook een uitpandige opslagvoorziening een zekere mate van Weerstand tegen BrandDoorslag en BrandOverslag (WBDBO) bezitten dan wel voor een bepaalde tijdsduur brandwerend te zijn uitgevoerd.

Bestaande onder de CPR 15-richtlijnen gerealiseerde en vergunde situaties worden geacht nog steeds aan de stand der techniek te voldoen m.u.v. die opslagen waarin brandbeveiligingsinstallaties zijn aangebracht die niet adequaat zijn om een brand in
de opslag te beheersen of te blussen. Voor bedrijven waarvoor zgn. 8.40 AMVB’s van toepassing zijn, is de PGS 15 nog niet relevant. Immers in de AMVB’s wordt nog steeds verwezen naar de CPR 15 richtlijnen (die dus tot het VROM ook deze AMVB’s heeft aangepast, van kracht blijven). Ook voor bedrijven die de aanvraag voor de milieuvergunning hebben ingediend voor de vaststellingsdatum van de PGS 15, zal de aanvraag onder de toen geldende CPR 15-richtlijn(en) moeten worden afgehandeld.

Werkingssfeer van de richtlijn PGS 15

In de PGS 15 zijn de uitgangspunten opgenomen die vanuit de Wet Milieubeheer, arbeidsomstandighedenwet/regelgeving en aanvullend op het Bouwbesluit, aan de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen worden verbonden. Voor de indeling en definiëring van gevaarlijke stoffen is in de PGS15 aangesloten bij de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Classificatie van vindt plaats volgens de Europese overeenkomst ADR. Het ADR kent navolgende 13 klassen:

t 

 

Een groot aantal ADR-klassen valt onder de werkingssfeer van de PGS15, maar voor een aantal is de opslag in separate wet- en regelgeving ondergebracht. In navolgende tabel wordt de werkingssfeer verduidelijkt.

Wel onder de werkingssfeer van de PGS 15

Niet onder de werkingssfeer van de PGS 15

ADR-klassen:
3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1 en 8

ADR-klassen:
1,7

ADR-klasse 6.2 categorie I3 en I4 (ziekenhuisafval n.e.g., UN 3291, en diagnotische monsters, UN3373

Overige stoffen van ADR-klasse 6.2

Milieugevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 m.u.v. genetisch gemodificeerde organismen

Overige stoffen van ADR-klasse 9, genetisch gemodificeerde organismen

ADR-klasse 2 voor zover spuitbussen en gasflessen (de meest voorkomende gassen)

Gasflessen met giftige of bijtende inhoud
(behoudens ammoniak en ethyleenoxide)

ADR-klasse 5.2 bepaalde categorieën en verpakkingen tot maximaal 1000 kg

ADR-klasse 5.2 overig
(hiervoor geldt CPR 3)

CMR-stoffen, niet reeds op andere wijze genoemd in het ADR

Nitraathoudende meststoffen
(hiervoor geldt CPR 1)

evaarlijke afvalstoffen met dezelfde chemische of fysische eigenschappen als
bovengenoemde gevaarlijke stoffen

Overige gevaarlijke stoffen

 

-

Bestrijdingsmiddelen tot 400 kg
(valt onder Bestrijdingsmiddelenbesluit)

 

Ondergrenzen van de richtlijn PGS 15

In de PGS15 zijn voor de diverse ADR-klassen ondergrenzen vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met zowel de gevaarsaspecten en hoeveelheid van de stoffen die voor een goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mag worden beschouwd.

Gevaar conform ADR klasse zonder bijkomend gevaar*

 Verpakkingsgroep

Ondergrens/vrijsstelling**

Alle klassen en de CMR stoffen

I

1 liter/kilo

ADR klasse 2

n.v.t.

50 liter/kilo

ADR klasse 3

II

25 liter/kilo

ADR klasse 3***

III

50 liter/kilo

ADR klasse 4.1, 4.1, 4.3

II en III

50 liter/kilo

ADR klasse 5.1

II en III

50 liter/kilo

ADR klasse 5.2

II en III

conform CPR 3, geen ondergrens

ADR klasse 6.1

II en III

50 liter/kilo

ADR klasse 6.2 categorie I3/I4

II en III

50 liter kilo

ADR klasse 8

II en III

250 liter/kilo

ADR klasse 9

II en III

250 liter/kilo

Totaal

-

50 liter/kilo
Voor klasse 8 en 9: 250 liter/kilo****


* Voor stoffen met een bijkomend gevaar is de laagste ondergrens bepalend.
** Voor verpakkingen die onder het regime van gelimiteerde hoeveelheden (LQ) vallen, zie hoofdstuk 3.4 van het ADR, geldt een aanvullende vrijstelling tot totaal de dubbele hoeveelheid mits verpakt in de transportverpakking.
*** Alcoholhoudende dranken in consumentenverpakking, dieselolie, gasolie, lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61°C en 100°C en stoffen met UN-nummer 3256 worden in de PGS 15 niet als brandbare vloeistof beschouwd. Het ADR bepaalt dat niet giftige en niet bijtende visceuze oplossingen en homogene mengsels met een vlampunt van 23°C en hoger niet onderworpen zijn aan ADR voorschriften.
**** Indien er sprake is van verschillende stoffen waarvoor verschillende ondergrenzen gelden, moet de ondergrens voor de totale hoeveelheid gevaarlijke stoffen naar rato berekend worden.

 

Opslag van gevaarlijke stoffen in veiligheidskasten

Een veiligheidskast waarvan het eerste gebruik heeft plaatsgevonden na 1 januari 2006 moet aan de norm NEN-EN-14470 deel 1 voldoen. Indien het gebruik dateert van voor deze datum moet de veiligheidskast tenminste voldoen aan de norm NEN 2678.

Afhankelijk van de toepassing van de veiligheidskast kan volgens de PGS 15 gekozen worden voor een (brand-)veiligheidsklasse van 30, 60 of 90 minuten.

Veiligheidskast
30 minuten brandwerend
conform (NEN-)EN 14470-1

Veiligheidskast
60 minuten brandwerend
conform (NEN-)EN 14470-1

Veiligheidskast
90 minuten brandwerend
conform (NEN-)EN 14470-1

Toegestaan voor opslag van stoffen behorende tot ADR-klassen:

Toegestaan voor opslag van stoffen behorende tot ADR-klassen:

Toegestaan voor opslag van stoffen behorende tot ADR-klassen:

3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9,
CMR stoffen en bepaalde organische peroxiden 5.2

2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9, CMR stoffen en bepaalde organische peroxiden 5.2

2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 6.1, 8, 9, CMR stoffen en bepaalde organische peroxiden 5.2

Opstelling:

Opstelling:

Opstelling:

Maximaal één per 50 m²
Maximaal twee per ruimte of brandcompartiment
Niet in een kelder, gang, trappenhuis, souterrain of gang

Maximaal vijf per 200 m²

Geen limiet in een brandcompartiment

Geen limiet

Opstelling op een verdieping:

Opstelling op een verdieping:

Opstelling op een verdieping:

Maximaal 1 per 200 m² vloer-oppervlakte van een werkruimte of brandcompartiment

Maximaal 2 per 200 m² vloer-oppervlakte van een werkruimte of brandcompartiment

Maximaal 4 per 200 m² vloer-oppervlakte van een werkruimte of brandcompartiment

Opvangcapaciteit:

Opvangcapaciteit:

Opvangcapaciteit:

Tenminste 110% van de inhoud van de grootste emballage, doch als het meer is tenminste 10% van de inhoud van alle emballa-ge (alleen voor vloeistoffen)

Tenminste 110% van de inhoud van de grootste emballage, doch als het meer is tenminste 10% van de inhoud van alle emballa-ge (alleen voor vloeistoffen)

Tenminste 110% van de inhoud van de grootste emballage, doch als het meer is tenminste 10% van de inhoud van alle emballa-ge (alleen voor vloeistoffen)

Compartimentering:

Compartimentering:

Compartimentering:

Kan door verschillende categorieën stoffen in afzonderlijke lekbakken te plaatsen. Voor iedere te scheiden stof moet een lekbak aanwezig zijn.

Kan door verschillende categorieën stoffen in afzonderlijke lekbakken te plaatsen. Voor iedere te scheiden stof moet een lekbak aanwezig zijn.

Kan door verschillende categorieën stoffen in afzonderlijke lekbakken te plaatsen. Voor iedere te scheiden stof moet een lekbak aanwezig zijn.

Ventilatie:

Ventilatie:

Ventilatie:

Doelmatige ventilatie naar de buitenlucht. Kast moet volgens de norm  (NEN-)EN 14470 deel 1 technisch geschikt voor een ventilatievoud van 10 keer per uur

Doelmatige ventilatie naar de buitenlucht. Kast moet volgens de norm  (NEN-)EN 14470 deel 1 technisch geschikt voor een ventilatievoud van 10 keer per uur

Doelmatige ventilatie naar de buitenlucht. Kast moet volgens de norm  (NEN-)EN 14470 deel 1 technisch geschikt voor een ventilatievoud van 10 keer per uur

  • Klasse 2    : Voor zover spuitbussen.
  • Klasse 5.1 : Oxiderende stoffen niet in combinatie met brandbare stoffen.
  • Klasse 5.2 : Organische peroxiden verpakt als “limited quantities (LQ)” met UN-nummers 3103 t/m 3110 type C t/m F zonder temperatuursbeheersing. Er geldt een maximum van 1000 kg per inrichting.
  • Voor kasten zonder elektro-mechanische ventilatie geldt dat de ruimte binnen een straal van 2,5 m rondom de kast vanaf 0,5 m boven het vloerniveau als explosiegevaarlijk gebied EEx-Zone 2 is te classificeren. Bij toepassing van minimaal een 5-voudige ventilatie van de kastinhoud per uur beperkt zich deze EEx-Zone 2 tot respectievelijk 1,0 m voor de kast én 0,5 m naast de kast gerekend vanaf 0,3 m boven het vloerniveau.

 

Binnen de inrichting moet voor de veiligheidskast een produktcertificaat aanwezig zijn, waaruit blijkt dat deze voldoet aan de norm NEN-EN-14470 deel 1. Om aan te tonen dat de veiligheidskast ook werkelijk door een geaccrediteerd onderzoeksinstituut getest is, dient de leverancier een samenvatting van onderzoek mee te leveren. Het samenvatting van onderzoek moet bestaan uit een verwijzing naar het volledige beproevingsverslag, een omschrijving van het resultaat en moet opgesteld zijn door een door de raad van accreditatie erkend onderzoek instituut.

Opslag van gevaarlijke stoffen in veiligheidskluizen:

De PGS 15 zoekt in haar voorschriften meer aansluiting bij het Bouwbesluit door een opslagruimte als een apart brandcompartiment te beschouwen. Hierdoor is de brandwerendheid van een opslagruimte niet alleen in geval van een brand van buitenaf, maar ook bij een brand van binnenuit vereist.

In de PGS 15 wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen een inpandige of uitpandige opslagplaats, behoudens inzake de brandwerendheidseisen. Voor inpandige voorzieningen kan gekozen worden tussen brandwerende veiligheidskasten of brandwerende veiligheidskluizen. Worden of kunnen er bij uitpandige opslag geen (veiligheids)afstanden tussen de opslagplaats en tot  inrichting behorende gebouwen, erfgrenzen, brandgevaarlijke materialen en activiteiten aangehouden worden, dan moet een opslagvoorziening een zekere mate van WBDBO (Weerstand tegen BrandDoorslag en BrandOverslag) bezitten dan wel voor een bepaalde tijdsduur brandwerend zijn uitgevoerd.

In kort bestek moeten veiligheidskluizen navolgend zijn uitgevoerd:

  • Opslag binnen een gebouw:

Een inpandige opslagruimte (ofwel brandcompartiment) moet een WBDBO bezitten van ten minste 60 minuten bepaald volgens de norm NEN 6068 en de hoofddraagconstructie en samenstellende bouwdelen moeten een brandwerendheid bezitten van tenminste 60 minuten overeenkomstig de norm NEN 6069. De WBDBO c.q. de brandwerendheid wordt beoordeeld ingeval van een brandbelasting van buitenaf én van binnenuit.

In een inpandige opslagruimte mag ten hoogste 2.500 kg gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Indien de opslagvoorziening echter is voorzien van een brandmeldinstallatie met doormelding naar de alarmcentrale van de overheids- of bedrijfsbrandweer of een daaraan gelijkwaardige voorziening, dan mag ten hoogste 10.000 kg gevaarlijke stoffen worden opgeslagen.

  • Opslag buiten een gebouw:

Een uitpandige opslagruimte (ofwel brandcompartiment) moet een WBDBO bezitten van ten minste 60 minuten bepaald volgens de norm NEN 6068 en de hoofddraagconstructie en samenstellende bouwdelen moeten een brandwerendheid bezitten van tenminste 60 minuten overeenkomstig de norm NEN 6069. De WBDBO c.q. de brandwerendheid wordt beoordeeld in geval van een brandbelasting van buitenaf én van binnenuit.

Indien de afstand van de opslagruimte tot de inrichtingsgrens, een ander tot de inrichting behorend bouwwerk of andere brandbare objecten, minimaal 5 meter bedraagt en binnen deze afstand geen opslag van brandgevaarlijke stoffen of goederen en geen brandgevaarlijke activiteiten plaatsvinden, dient de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagruimte ten minste 30 minuten bedragen.

 

Indien de afstand van de opslagruimte tot de inrichtingsgrens, een ander tot de inrichting behorend bouwwerk of andere brandbare objecten, minimaal 10 meter bedraagt en binnen deze afstand geen opslag van brandgevaarlijke stoffen of goederen en geen brandgevaarlijke activiteiten plaatsvinden is, ten aanzien van
de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagruimte geen eis van toepassing.

N.b.: Indien er sprake is van opslag van bijtende stoffen ADR-klasse 8, verpakkingsgroep II en III zonder bijkomend gevaar tot een gezamenlijke hoeveelheid van 10 ton, vervallen de voorschriften met betrekking tot de brandwerendheid van de ruimte waarin deze stoffen opgeslagen worden en kan volstaan worden met het treffen van bodembeschermende maatregelen.

  • Gescheiden opslag van onverenigbare gevaarlijke stoffen:

Gevaarlijke stoffen die met elkaar gevaarlijke reacties kunnen aangaan, waarbij sterke verhoging van temperatuur of druk optreed of waarbij gassen kunnen ontstaan die giftiger of brandbaarder zijn dan op grond van de eigenschappen van één van de stoffen te verwachten is, moeten gescheiden van elkaar opgeslagen worden.

Gevaarlijke stoffen die gescheiden opgeslagen moeten worden:

Gevaar volgens ADR
(zonder bijkomend gevaar)

ADR
3

ADR 5.1

ADR
6.1 + CMR

ADR
8

ADR
9

Overig
WMS+
ongevaar-lijk

ADR 3
brandbare vloeistof

 

-

 

V

 

B* of V

 

B

 

B

 

-

ADR 5.1
oxiderende stof

 

V

 

-

 

B*

 

B

 

B

 

-

ADR 6.1
giftige + CMR stoffen

 

B* of V

 

B*

 

-

 

B*

 

B*

 

-*

ADR 8
bijtende stof

 

B

 

B

 

B*

 

B

 

B

 

-

ADR 9 milieugevaarlijke stof

 

B

 

B

 

B*

 

B

 

-

 

-

Overig WMS+ongevaarlijk

 

-

 

-

 

-*

 

-

 

-

 

-

V:

opslag van te scheiden stoffen in aparte vakken.

B:

gescheiden opslag tenzij beoordeeld is, dat de stoffen niet met elkaar reageren of dat beide stoffen als vaste stof zijn ingedeeld. Voor de beoordeling wordt uitgegaan van de informatie vermeld in het Veiligheidsinformatieblad (VIB/SDS/MSDS); voor generieke produkten kan ook gebruik gemaakt worden van het Chemiekaartenboek.

-:

Gescheiden opslag niet noodzakelijk.

*:

ADR-klasse 6.1 verpakkingsgroep I moet in een apart brandcompartiment of apart deel van een brandcompartiment (aan drie zijden afgeschermd met een muur met een WBDBO van ten minste 30 minuten) of met 5 meter vrije zone worden opgeslagen. In afwijking hiervan is opslag in aparte vakken toegestaan indien de stoffen niet hoger dan 1,80 m worden opgeslagen, het een UN-goedgekeurde verpakking betreft en het opslagvak zodanig gekenmerkt is dat werknemers zich extra bewust zijn van de gevaren.
Voor overige giftige stoffen  is het gewenst om, waar mogelijk, vakscheiding aan te houden  met stoffen van ADR-klasse 3.

 

Methoden van gescheiden opslag:
Opslag van te scheiden stoffen in aparte vakken, volgens methode V, zal in het algemeen alleen mogelijk zijn indien er meer dan 10 ton wordt opgeslagen. Te scheiden stoffen mogen wel in dezelfde opslagvoorziening aanwezig zijn, maar moeten in aparte vakken geplaatst worden (maximaal 300 m² per vak en onderlinge afstand
3,5 meter). Indien geen vakken gemaakt kunnen worden, wat veelal het geval is in een opslagruimte kleiner dan 10 ton, moet opslag in een apart brandcompartiment plaatsvinden.

Als stoffen gescheiden opgeslagen moeten worden, volgens methode B, kan dit door de te scheiden stoffen op te slaan in aparte delen van een vak. Scheiding binnen een vak kan door een vrije afstand van ten minste 2 meter tussen de onverenigbare stoffen te creëren of door tussen de onverenigbare stoffen over een afstand van 2 meter een verenigbare stof op te slaan. Deze vorm van compartimenteren zal over het algemene toegepast worden in voorzieningen voor meer dan 10 ton.
In opslagvoorzieningen tot 10 ton kan worden volstaan door de te scheiden stoffen op aparte opvangbakken op te slaan.

Scheiding kan ook worden gerealiseerd door de te scheiden stoffen in apart brand-compartiment of apart deel van een brandcompartiment aan drie zijden afgescheiden door een muur met een WBDBO van ten minste 30 minuten op te slaan (het betreft de met een asterisk aangeduide situaties).

  • Produktopvang:

De opslagruimte moet zodanig zijn vervaardigd dat gelekte of gemorste vloeistoffen niet uit de ruimte kunnen stromen. Daartoe moet de opvangcapaciteit ten minste 110% van de inhoud van de grootste verpakking, doch (als dat meer is) ten minste 10% van de inhoud van alle aanwezige verpakkingen bedragen.
De opvangvoorziening moet voldoende bestand zijn tegen de opgeslagen gevaarlijke stoffen en er mogen zich geen openingen bevinden die rechtstreeks in verbinding staan met de riolering.

  • Ventilatie:

De opslagruimte moet voorzien zijn van doelmatige ventilatie. Afvoer van ventilatielucht moet op de buitenlucht plaatsvinden. De ventilatieopeningen moeten zover mogelijk van elkaar (diametraal) zijn aangebracht, ventilatie moet continu zijn en de ventilatievoud van de ruimte moet te allen tijde minimaal 1 keer per uur bedragen. Afhankelijk van de gevaarsaspecten van de stoffen, kan een grotere ventilatievoud noodzakelijk zijn (explosieveiligheid/arbeidshygiënische omstandigheden).

Bovenstaande informatie geeft inzicht in de “spelregels” van de richtlijn PGS 15. Het geeft de mogelijkheid een goede inschatting te maken van het basisveiligheidsniveau voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Toch doen zich in de praktijk altijd situaties voor, die niet alleen met theorie op te lossen zijn.

Met name bij deze praktijkgerichte oplossingen kunnen onze adviseurs u behulpzaam zijn. Van advisering bij u op locatie tot en met begeleiding van contacten met de diverse overheidsinstanties rekenen wij uiteraard tot onze standaard werkwijze. Onze specialisten zorgen voor een adequaat advies en professionele begeleiding toegespitst op uw situatie!


Aanbiedingen